Inspectiedomeinen kinderopvang
Met ingang van 1 januari 2022 hebben gemeenten en toezichthouders bovendien de mogelijkheid om de inspecties meer flexibel in te richten.
Flexibele inspectie
Sinds 2022 kunnen GGD’en de gemeenten die er klaar voor zijn starten met flexibel inspecteren. Dit betekent dat toezichthouders minder werken met vaste inspectie-items. Deze verandering in het toezicht wordt ‘Flexibilisering van de inspectieactiviteit’ genoemd.
Flexibel inspecteren geeft meer ruimte aan de toezichthouder en gemeente voor toezicht ‘op maat’. Bijvoorbeeld door diepgaander onderzoek te doen naar bepaalde thema’s. En door meer maatwerk neemt de voorspelbaarheid van de focus van het toezicht af. De verwachting is dat met flexibilisering de effectiviteit van het toezicht – en daarmee de kwaliteit van de kinderopvang – kan verbeteren.
Onderwerpen die wel standaard getoetst worden, ook bij flexibel inspecteren, zijn:
- aanwezigheid van een verklaring omtrent het gedrag (VOG);
- correcte inschrijving in het Personenregister kinderopvang (PRK);
- de eisen met betrekking tot voorschoolse educatie (VE) wanneer deze aanwezig is;
- de pedagogische kwaliteit.
Lees hier meer over flexibele inspectie.
Er zijn 6 inspectiedomeinen (onderwerpen):
- Registratie, wijzigingen en administratie
- Pedagogisch klimaat
- Personeel en groepen
- Veiligheid en gezondheid
- Accommodatie
- Ouderrecht
1. Registratie, wijzigingen en administratie
Controle op de registratie van de kinderopvanglocatie. Wanneer er een verzoek tot wijziging wordt ingediend wordt hierop gecontroleerd. De administratie wordt door de toezichthouder opgevraagd.
2. Pedagogisch klimaat
Het pedagogisch klimaat gaat vooral over de proceskenmerken, de meer ‘zachte’ zaken, zoals gedrag en houding. De GGD inspecteert drie onderdelen die vallen binnen het pedagogisch klimaat.
Pedagogische praktijk: is het pedagogisch beleid zichtbaar op de groep?
De pedagogische praktijk gaat over de manier waarop het personeel, vooral de pedagogisch medewerkers, met de kinderen omgaat (proces kenmerken). Bij kwalitatief goede, verantwoorde kinderopvang voelen kinderen zich emotioneel veilig en geborgen omdat er sensitief en responsief met hen wordt omgegaan, respect is voor hun zelfstandigheid, structuur wordt geboden en grenzen aan gedrag worden gesteld.
Kinderen worden spelenderwijs uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische -, cognitieve -, taal- en creatieve vaardigheden. Goed pedagogisch onderlegde medewerkers zijn in staat om kinderen te begeleiden in hun onderlinge interacties met andere kinderen.
De pedagogische praktijk is moeilijk vast te leggen en te waarborgen met wetten en regels. Het vereist dan ook een open, nieuwsgierige en kritische blik van de toezichthouder om de pedagogische kwaliteit van de interacties tussen kinderen en pedagogisch medewerkers en kinderen onderling goed te kunnen beoordelen.
Pedagogisch beleid
Is er een pedagogisch beleid opgesteld en voldoet deze aan de eisen? De GGD controleert ook of de visie op de pedagogische praktijk goed op papier beschreven staat. Iedere kinderopvanglocatie moet dan ook een pedagogisch beleidsplan hebben. De houder moet ervoor zorgen dat de beroepskrachten dit plan kennen zodat ze ernaar kunnen handelen.
Het pedagogisch beleidsplan (pbp) moet verplichte onderdelen beschrijven. Bijvoorbeeld hoe de ontwikkeling van kinderen gevolgd wordt en met ouders besproken; de werkwijze, omvang en leeftijdsopbouw van de stamgroepen; hoe wordt omgegaan met de beroepskracht-kindratio en de drie-uursregeling; hoe de ruimtes worden ingericht. Meer over pedagogische kwaliteit in de kinderopvang.
Voorschoolse educatie (VE)
Wanneer er VE wordt aangeboden dient deze aan de eisen te voldoen. Meer over voorschoolse educatie.
3. Personeel en groepen
De pedagogische kwaliteit van een kinderopvanglocatie is erg bepalend om te kunnen beoordelen of er sprake is van kwalitatief goede, verantwoorde kinderopvang. Hoge pedagogische kwaliteit heeft een positief effect op de ontwikkeling en het welbevinden van kinderen. De kwaliteitseisen die gesteld worden aan het personeel en de groepen zijn hierin van belang. Deze kwaliteitseisen hebben dan ook als doel om de minimale kwaliteit te waarborgen en de inspectie van deze onderwerpen is een belangrijke graadmeter.
Per opvangsoort (dagopvang/bso/gastouderopvang) gelden andere kwaliteitseisen. Zoals de opleidingseisen voor de pedagogisch medewerkers en gastouders, de beroepskracht-kindratio en het vaste gezichtencriterium, die zijn voor de dagopvang anders dan voor de bso. De eisen voor de gastouderopvang zijn weer anders.
Eisen aan het personeel
De GGD inspecteur controleert of er voldoende pedagogisch medewerkers op een groep staan in verhouding tot het aantal en de leeftijd van de kinderen die in die groep worden opgevangen (de beroepskracht-kindratio (BKR)) en of zij de juiste diploma’s hebben. Ook de manier waarop medewerkers in opleiding en stagiaires ingezet worden, wordt gecontroleerd. Al het personeel moet in bezit zijn van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) en ingeschreven staan in het personenregister kinderopvang.
Stabiliteit
De stabiliteit van de opvang is belangrijk voor de emotionele veiligheid en geborgenheid van kinderen. Daarom wordt gecontroleerd of de kinderen worden opgevangen in vaste groepen en worden er strikte eisen gesteld aan de groepsgrootte en –samenstelling. Het vaste gezichtencriterium zorgt ervoor dat kinderen in ieder geval altijd door één van de voor hen vaste, vertrouwde, medewerker worden opgevangen.
Pedagogisch beleidsmedewerker en –coach
Tot slot wordt bij dit inspectiedomein ook gekeken of er een pedagogisch beleidsmedewerker en –coach is ingezet, die alle medewerkers jaarlijks coacht op het gebied van pedagogische kwaliteit en het pedagogisch handelen tijdens het werken op de groep. En of de voorgeschreven voertaal echt wordt gebruikt.
4. Veiligheid en gezondheid
Is de opvang veilig en gezond? De toezichthouder van de GGD beoordeelt dit aan de hand van twee kernvoorwaarden. Ten eerste zijn kinderopvangorganisaties verplicht een actueel veiligheids- en gezondheidsbeleid te hebben dat past bij de activiteiten, de locatie en de inrichting van de kinderopvangorganisatie. Ten tweede moet de houder van een kindercentrum voor het personeel een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling vaststellen waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling wordt omgegaan.
Veiligheid- en gezondheidsbeleid
Elke locatie (peuterspeelzaal, kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang) van een kinderopvangorganisatie is verplicht zijn eigen beleid op veiligheid en risico te hebben. Dit beleid komt voort vanuit de pedagogische visie van de organisatie en de locatie zelf (binnen- en buitenruimte/tuin). Immers; een pedagogische visie op bijvoorbeeld het stellen van grenzen en in hoeverre kinderen de ruimte krijgen om zelf dingen te ontdekken hangt samen met welke (veiligheids)maatregelen er vervolgens wel en niet worden genomen. Het is dus belangrijk om het veiligheids- en gezondheidsbeleid in samenhang met het pedagogisch beleid te beoordelen.
In de Wet kinderopvang worden verder specifieke eisen gesteld aan het veiligheids- en gezondheidsbeleid:
- Actueel
- Continu proces (opstellen, implementeren, evalueren en actualiseren) Dit proces wordt samen met de pedagogisch medewerkers doorlopen en ook (structureel) besproken met de oudercommissie
- Voornaamste risico’s met grote gevolgen
- Leren omgaan met kleine risico’s
- Grensoverschrijdend gedrag
- Vierogenprincipe
- Plan van aanpak
- Achterwacht
- Inzichtelijk
Een toelichting op deze eisen vind u op de themapagina over het veiligheids- en gezondheidsbeleid. De oudercommissie heeft adviesrecht op het beleid op het gebied van veiligheid en gezondheid.
Risico-inventarisatie: verplicht voor de gastouderopvang
Voor de ingang van de Wet IKK was een jaarlijks vastgestelde risico-inventarisatie (RI&E) verplicht. Deze is niet afgeschaft, maar het (nieuwe) veiligheids- en gezondheidsbeleid vloeit hier niet meer uit voort. De verplichting tot het bijhouden van een ongevallenlijst is vervallen voor dag-, peuter- en buitenschoolse opvang. Voor de gastouderopvang geldt de verplichting voor de risico-inventarisatie en ongevallenlijst nog wel.
Ten aanzien van de meldcode kindermishandeling controleert de toezichthouder niet alleen of een houder deze vastgesteld heeft, maar ook of de houder de kennis en het gebruik van de meldcode bij het personeel bevordert.
Onderwerpen die verder in het veiligheids-en gezondheidsbeleid thuishoren zijn o.a. het beleid rondom vaccineren, privacy, hitte, veiligheid en personeel, uitstapjes, ziekte en hygiëne en gezonde kinderopvang. Meer informatie over deze en andere onderwerpen leest u ook in onze brochure Veiligheid & Gezondheid. Zie ook de checklist veiligheid en gezondheid voor oudercommissies.
5. Accommodatie
Bij het inspecteren van de accommodatie van een kinderopvanglocatie, gaat het simpel gezegd over de vraag of de ruimtes groot genoeg, kindvriendelijk en uitdagend ingericht zijn. Wat houdt dit precies in?
De pedagogische kwaliteit van een kinderopvanglocatie erg bepalend om te kunnen beoordelen of er sprake is van kwalitatief goede, verantwoorde kinderopvang. Pedagogische kwaliteit is meer dan alleen het pedagogisch beleid en klimaat en bestaat uit twee categorieën: structurele kenmerken (meer ‘harde’ zaken, meetbaar) en proceskenmerken (meer ‘zachte’ zaken, zoals gedrag en houding) van kwaliteit. De accommodatie is een belangrijk onderdeel van de structurele pedagogische kwaliteit.
Binnen- en buitenruimtes
Ten eerste moeten de binnen- en buitenruimtes veilig zijn, toegankelijk en passend ingericht voor zowel het aantal kinderen dat wordt opgevangen als hun leeftijd. Verder moet er bij de dagopvang voor elke stamgroep een afzonderlijke vaste stamgroepruimte beschikbaar zijn. Voor kinderen tot de leeftijd van anderhalf jaar moet er een afzonderlijke slaapruimte aanwezig zijn die is afgestemd op het aantal aanwezige kinderen. Voor kinderen op de bso geldt geen eis voor een vaste groepsruimte. Voor beide opvangsoorten moet een kindercentrum ten minste 3,5 m² binnenspeelruimte per in het kindercentrum aanwezig kind beschikbaar hebben en ten minste 3 m² vaste buitenspeelruimte. Voor kinderen tot twee jaar moet de buitenspeelruimte aangrenzend zijn aan het kindercentrum. Voor kinderen van twee jaar of ouder mag de buitenspeelruimte ook alleen grenzen aan het gebouw waarin het kindercentrum is gevestigd.
Situatie afhankelijk
In de praktijk zijn deze ‘harde en meetbare’ eisen aan de accommodatie per situatie verschillend en moet iedere situatie dan ook afzonderlijk en in de eigen totale omgeving beoordeeld worden door de inspecteur. Is er bij dagopvang bijvoorbeeld wel sprake van een afzonderlijke groepsruimte als er met halve deuren of muren wordt gewerkt? Het is van belang dat de toezichthouder uitgaat van de intentie van de regelgeving. In dit voorbeeld moet de groepsruimte gelegenheid bieden dat de basisgroep er 'afgezonderd' kan verblijven en dat er sprake is van een en dezelfde ruimte. Per situatie kan verschillen of daaraan wordt voldaan. Een halve deur of een niet volledig tot het plafond opgetrokken muur in een verder volledig ter beschikking staande omgeving hoeft niet een belemmering te zijn om te spreken van een afzonderlijke ruimte.
Bouwbesluit en richtlijnen RIVM
Binnenruimtes buiten de stamgroepruimte mogen worden opgeteld op de oppervlakte van de afzonderlijke groepsruimtes. Deze moeten dan wel passend voor spelactiviteiten ingericht zijn en worden evenredig aan de groepen toebedeeld. Het moeilijke aan het inspectiedomein ‘Accommodatie’ is dat de inspecteur van de GGD alleen kijkt naar de criteria uit de regelgeving voor de kinderopvang. Maar een kinderopvanglocatie moet daarnaast ook voldoen aan veiligheids- en gezondheidseisen uit het Bouwbesluit 2012 Kinderopvang (brandveiligheid, luchtkwaliteit) en de hygiënerichtlijnen van het RIVM. De ogenschijnlijk simpele vraag of de gang wel of niet meegeteld mag worden met het beschikbare oppervlak, en onder welke voorwaarden, wordt daarmee maatwerk per situatie. Zo kan de ene gang een ‘verkeersruimte’ zijn, die als vluchtgang is aangemerkt en kan een andere gang prima als opvangruimte dienen. De toezichthouder moet erop toezien dat àls de ruimte bedoeld is om meegerekend te worden voor de beschikbare oppervlakte, het van belang is dat de ruimte ook daadwerkelijk door kinderen gebruikt wordt voor activiteiten. De ruimte telt immers mee voor het bepalen van het aantal op te vangen kinderen.
Lees meer: huisvesting van kinderopvang
6. Ouderrecht
Is er een oudercommissie? Krijgen de ouders de juiste informatie? Weten de ouders waar zij eventuele klachten kwijt kunnen? Dat zijn de items die horen bij het inspectiedomein 'ouderrecht'. Meer over de rol van ouders en oudercommissies bij toezicht en handhaving in kinderopvang.
Wanneer inspecteert de GGD de kinderopvang?
De toezichthouder van de GGD voert vijf soorten onderzoek (inspecties) uit. Deze onderzoeken worden op verschillende momenten met een verschillend doel uitgevoerd. Per type onderzoek staat beschreven wanneer er betrokkenheid van ouders en/of de oudercommissie mogelijk, wenselijk of noodzakelijk is.
Ouders en andere betrokkenen kunnen invloed uitoefenen op het soort inspectie, de frequentie en de intensiteit van de inspectie.
Verschillende soorten inspecties / onderzoek
Tijdens een inspectie wordt onderzocht of de kinderopvang aan de Wet kinderopvang voldoet. Daarom wordt een inspectie 'onderzoek' genoemd. Er zijn vijf soorten onderzoek:
Klik op de tekst voor meer informatie
- Onderzoek voor registratie - voor de opvanglocatie open gaat / start
- Onderzoek na registratie - om te controleren of de opvang goed is gestart
- Jaarlijks onderzoek - onaangekondigd, reguliere controle
- Nader onderzoek - wanneer bij een vorig onderzoek niet alles op orde was
- Incidenteel onderzoek - n.a.v. zorgen of signalen
In dit stroomschema ziet u hoe deze onderzoeken zich tot elkaar verhouden.
Wanneer de toezichthouder (een) tekortkoming(en) heeft geconstateerd, kan hij/zij de houder een herstelaanbod doen. Of de gemeente adviseren over te gaan tot handhaving en (een) sanctie(s) op te leggen.
1. Onderzoek voor registratie
Nieuwe locatie
Voordat een (nieuwe) opvanglocatie open mag wordt het 'onderzoek voor registratie uitgevoerd'. De toezichthouder van de GGD (de inspecteur) onderzoekt of de opvanglocatie zich (naar verwachting) gaat houden aan de eisen uit de Wet kinderopvang. Wanneer de gemeente mede op grond van dit onderzoek heeft besloten dat exploitatie is toegestaan (de kinderopvang mag open/gastouder mag starten), wordt de kinderopvangvoorziening geregistreerd in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK).
Verhuizing of overname
Behalve bij het openen van een nieuw kindercentrum, voert de GGD ook een onderzoek voor registratie uit wanneer een bestaande locatie/gastouder gaat verhuizen naar een ander adres. Of wanneer een nieuwe houder/gastouderbureau de opvanglocatie overneemt. Bij een verhuizing zal de GGD inspecteur zich meer richten op de beoordeling van de nieuwe accommodatie. Bij een overname door een nieuwe houder zal de inspecteur zich meer richten op de beleidsdocumenten t.a.v. pedagogische kwaliteit, personeel, veiligheid en gezondheid.
Streng aan de Poort
Sinds 2017 werken GGD’en met de werkwijze ‘Streng aan de Poort’. Dit betekent dat bij het onderzoek voor registratie de locatie intensief wordt onderzocht: meer dan daarvoor controleert de GGD het te voeren beleid van de houder in het nieuwe kindercentrum/gastouderbureau. Het idee erachter is dat door een strengere inspectie vóór de start van een kindercentrum alleen potentiële houders die over voldoende kennis en kunde beschikken, in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) komen en kunnen starten met opvang. Het onderzoek is breed en betreft niet alleen de nieuwe voorziening. De GGD kijkt bij de beoordeling ook naar de naleving van kwaliteitseisen bij eventueel andere kindercentra die dezelfde houder eerder heeft geopend.
Rol ouder(commissie)s
Bij het onderzoek voor registratie van een nieuwe locatie is er meestal nog geen oc aangesteld. Bij een verhuizing of een nieuw te openen locatie door dezelfde houder kan een oc of ouder van een bestaande locatie al bepaalde zorgen hebben. Het is dan wel degelijk van belang dat u deze signalen aan de GGD doorgeeft. De toezichthouder van de GGD kan dan extra alert zijn bij het onderzoek dat bepaalt of de nieuwe locatie open mag gaan.
2. Onderzoek na registratie
Binnen drie maanden nadat een opvanglocatie open is gegaan vindt het 'onderzoek na registratie' plaats. De toezichthouder van de GGD onderzoekt of de opvanglocatie – nu er daadwerkelijk kinderen worden opgevangen – voldoet aan alle kwaliteitseisen uit de Wet kinderopvang. Zowel de eerder beoordeelde kwaliteitseisen als de praktijk komen aan bod bij dit onderzoek. Eén uitzondering hierop is mogelijk: het reglement voor de oudercommissie moet (pas) binnen zes maanden na registratie vastgesteld zijn. Meer over de oudercommissie.
Het onderzoek ná registratie is bijna gelijk aan het jaarlijkse onderzoek door de GGD. Alleen worden nu nog álle items uit de zes inspectiedomeinen geïnspecteerd omdat de locatie nog geen risicoprofiel toegekend heeft gekregen. Wanneer de kwaliteitseisen niet of onvoldoende worden nageleefd, kan de GGD de gemeente adviseren om over te gaan tot handhaving. Na het onderzoek na registratie krijgt het kindercentrum of gastouderbureau jaarlijks een onderzoek. Welke items op dat moment wel of niet geïnspecteerd worden is afhankelijk van het risicoprofiel van de locatie.
Rol ouder(commissie)s
Binnen zes maanden na de registratie moet de kinderopvangondernemer een oudercommissie hebben ingesteld. Ook moet er een oudercommissiereglement zijn. Het onderzoek na registratie vindt binnen drie maanden na de start plaats. Als de kinderopvangorganisatie in die periode onvoldoende actie heeft ondernomen om binnen zes maanden tot een oudercommissie en/of reglement te kunnen komen, geef dit dan aan bij de GGD. De inspecteur kan dit dan meenemen als extra aandachtspunt in het onderzoek na registratie of het volgende onderzoek.
3. Jaarlijks onderzoek
Alle kinderdagverblijven, buitenschoolse opvanglocaties en gastouderbureaus worden jaarlijks en onaangekondigd geïnspecteerd. De toezichthouder van de GGD (de inspecteur) onderzoekt of de opvanglocatie voldoet aan de eisen uit de Wet kinderopvang en onderliggende regelgeving zoals het Besluit Kwaliteit Kinderopvang. Als een kinderopvanglocatie goed functioneert is dit, na de registratie en met uitzondering van wijzigingen daarin, in principe ook het enige inspectieonderzoek waar de opvang mee te maken krijgt. Als de opvang niet of minder goed functioneert kan er een herstelaanbod en/of nader onderzoek worden gedaan.
Rol ouder(commissie)s
Tijdens het jaarlijkse onderzoek kan de GGD het ouderrecht controleren. Soms krijgt de oc dan een vragenlijst per e-mail of wordt er telefonisch contact gezocht. Er is een vragenlijst voor de oc van een kinderdagverblijf/bso (kindercentrum) en een vragenlijst voor de oc van een gastouderbureau. Van elk onderzoek (elke inspectie) wordt een inspectierapport gemaakt. Het inspectierapport moet de houder met de oudercommissie bespreken.
Tip: zet 'GGD zaken' als vast onderdeel op de agenda van de oc vergaderingen. Zo check je of er inspecties hebben plaatsgevonden en of er al dan niet een herstelaanbod is gedaan.
4. Nader onderzoek
Wanneer de toezichthouder tijdens een inspectie tekortkomingen of overtredingen heeft vastgesteld, kan een nader onderzoek volgen. Bij dit nader onderzoek bekijkt de toezichthouder onder meer of de tekortkoming of overtreding is hersteld. Een nader onderzoek kan zowel na geconstateerde overtredingen bij het jaarlijkse, als bij een incidenteel inspectieonderzoek plaatsvinden. Niet alle overtredingen zijn reden om een nader onderzoek uit te voeren. Dit verschilt per gemeente en staat beschreven in hun gemeentelijk handhavingsbeleid. Meer over handhaving en sancties.
Rol ouder(commissie)s
Als oudercommissie is het belangrijk om te weten of er nader onderzoek wordt/is gedaan en wat daarvan de uitkomst is. De GGD een vast onderdeel op de agenda maken kan de drempel verlagen om dit onderdeel te bespreken. Oudercommissies en ouders hebben een belangrijke signalerende rol: juist op het onderdeel waarop nader onderzoek wordt gedaan is het belangrijk om de GGD over de dagelijkse gang van zaken te informeren.
5. Incidenteel onderzoek
Een incidenteel onderzoek vindt éénmalig plaats, bijvoorbeeld na een signaal of klacht van ouders, werknemers of buurtbewoners. De GGD moet eerst schriftelijk toestemming krijgen van de gemeente om incidenteel onderzoek te doen. Afhankelijk van de urgentie en aard van de melding of klacht kan dit onderzoek onaangekondigd worden uitgevoerd. De uitkomst van een dergelijk onderzoek zal door de GGD via een inspectierapport zowel aan de gemeente als aan de direct betrokkene(n) (houder en/of klager) meegedeeld worden.
Een incidenteel onderzoek vindt ook plaats wanneer een kinderopvanglocatie iets wil wijzigen in het Landelijk Register Kinderopvang, bijvoorbeeld een verzoek tot uitbreiding van het maximum aantal kinderen dat kan worden opgevangen (aantal kindplaatsen).
Rol ouder(commissie)s
Het is altijd belangrijk om zaken waarover je je zorgen maakt te melden bij de GGD. Dat kunnen individuele ouders en de oudercommissie doen. Bij een opeenstapeling van (diverse of soortgelijke) signalen van meerdere ouders en/of bij ernstige zorgen kan de GGD zelfs, na akkoord van de gemeente (de opdrachtgever van de GGD), een (extra) inspectie uit voeren, onmiddellijk of op korte termijn.
Herstelaanbod
Wanneer de toezichthouder (een) tekortkoming(en) heeft geconstateerd, kan hij/zij de houder een herstelaanbod aanbieden. Houders hebben geen recht op een herstelaanbod; het is een mogelijkheid die de toezichthouder in kan zetten voor een snel herstel van de tekortkoming(en). De mogelijkheid tot het bieden van een herstelaanbod is gebaseerd op afspraken tussen de GGD en de gemeente waar de betreffende kinderopvanglocatie gehuisvest is. De toezichthouder bespreekt met de houder welke verbetermaatregelen binnen welke termijn doorgevoerd moeten worden om de kwaliteit te herstellen. De afweging om wel of niet een herstelaanbod te bieden en binnen welke termijn(en), ligt volledig bij de toezichthouder.
Hersteltermijn
De termijn voor herstel van de overtredingen is maximaal vier weken. De daadwerkelijke termijn die de toezichthouder vaststelt is afhankelijk van de aard en de ernst van de overtreding en de tijd waarbinnen de maatregelen genomen kunnen worden. Als de directe veiligheid, gezondheid of het welbevinden van de kinderen in het geding is, moet de houder snel maatregelen nemen.
Na verloop van de afgesproken periode geeft de toezichthouder opnieuw een oordeel over de overtreding(en). In het inspectierapport beschrijft de toezichthouder voor welke tekortkoming(en) herstelaanbod is aangeboden en wat hiervan de uitkomst was.
Geen herstelaanbod
De toezichthouder doet géén herstelaanbod als er sprake is van overtredingen waarbij de directe veiligheid of gezondheid in het geding is en de houder dit mogelijk niet uit eigen beweging kan of gaat herstellen. Direct ingrijpen door de gemeente is dan noodzakelijk. Ook als de houder eerder al in de gelegenheid is gesteld om dezelfde of vergelijkbare overtredingen op te heffen of een overtreding niet (binnen de hersteltermijn) te herstellen is, wordt er geen herstelaanbod gedaan.