VVE: voor- en vroegschoolse educatie

Voor- en vroegschoolse educatie (VVE) is erop gericht om ontwikkelingsachterstanden bij kinderen in de leeftijd van twee tot zes jaar te voorkomen of te verminderen. Dit gebeurt door kinderen spelenderwijs te laten leren. Door speciaal hiervoor ontwikkelde programma’s (zie hieronder) aan te bieden in de thuissituatie, op het kinderdagverblijf (crèche), peuterspeelzaal (peuteropvang) of op school krijgen kinderen een extra steuntje in de rug.

Voor kinderen tussen de twee en een half tot vier jaar worden de VVE-programma’s aangeboden op de dagopvang of peuteropvang (voorschoolse educatie). Voor kinderen vanaf vier jaar worden de programma’s aangeboden in groep 1 en groep 2 van de basisschool (vroegschoolse educatie). Door deze extra ondersteuning nemen (taal)achterstanden af en maken kinderen een betere start op de basisschool.

Per 1 augustus 2020 is het VE-aanbod uitgebreid naar 960 uur per peuter per jaar (meestal 16 uur per week).

VVE programma’s

Er zijn veel verschillende VVE-programma’s beschikbaar. De meeste programma’s richten zich op de ontwikkeling van taal. Daarnaast is er ook aandacht voor de brede cognitieve ontwikkeling (bijvoorbeeld rollenspel, kleuren onderscheiden), sociaal-emotionele ontwikkeling (bijvoorbeeld samen spelen) en motorische ontwikkeling (bijvoorbeeld knippen, leren fietsen). De meest gebruikte programma’s in Nederland zijn Kaleidoscoop en Piramide. Ook Uk en Puk wordt veel gebruikt. Belangrijker nog dan het programma, zijn de pedagogisch medewerkers die met het programma werken. De pedagogisch medewerkers bepalen in belangrijke mate de kwaliteit van het educatieve aanbod en de pedagogische kwaliteit van de opvang. Een VVE-programma kan daarbij ondersteunend zijn, maar de kwaliteiten en vaardigheden van de pedagogisch medewerker staan hierin voorop.

Oudercommissie en VVE

De oudercommissie heeft adviesrecht op het beleid rondom VVE.

Voor wie is VVE?

Welke kinderen komen in aanmerking voor VVE? In de wet is vastgelegd dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor voorschoolse educatie. De gemeente bepaalt welke kinderen in aanmerking komen voor VVE. Over het algemeen wordt op het consultatiebureau bekeken of een peuter extra ondersteuning nodig heeft (indiceren). Het kan per gemeente verschillen welke kinderen gebruik mogen maken van voorschoolse educatie. Op het moment dat een peuter een zogenaamde indicatie heeft gekregen bestaat er ook recht op een tegemoetkoming in de kosten. Ook kinderen zonder indicatie kunnen (meestal) gebruik maken van VVE. In dat geval krijgen zij geen tegemoetkoming in de kosten van de gemeente (zie alinea 'Kosten voor ouders').

Kosten voor ouders

Wanneer er sprake is van een VVE-indicatie door het consultatiebureau betaalt de gemeente over het algemeen een (groot) deel van de kosten voor voorschoolse educatie. Ouders betalen een ouderbijdrage. Voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag is deze ouderbijdrage vaak berekend op basis van het inkomen. Hoe hoog de ouderbijdrage is verschilt per gemeente, hiervoor zijn geen landelijke richtlijnen.

Ouders die naast de tegemoetkoming van de gemeente recht hebben op kinderopvangtoeslag (bijvoorbeeld omdat het kind meer uur naar de opvang gaat dan het aantal uur waarop het kind recht heeft op VVE) moeten goed opletten dat zij het juiste uurtarief en het juiste aantal uur doorgeven aan de Belastingdienst/Toeslagen. Meer informatie over dit onderwerp vindt u in de brochure ‘Harmonisatie peuterspeelzalen – waar moet ik aan denken? Checklist voor ouders’.

Als er geen VVE-indicatie is gegeven kan in veel gevallen alsnog gebruik gemaakt worden van voorschoolse educatie. Over het algemeen hebben ouders in die situaties geen recht op een tegemoetkoming in de kosten door de gemeente, wel kan het zijn dat zij recht hebben op kinderopvangtoeslag. Ook hier geldt dat de gemeente mag bepalen hoe zij hiermee omgaan, hier kan dus van gemeente tot gemeente een verschillend beleid voor gelden.

Verantwoordelijke ministeries en inspectie

VVE valt onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), terwijl kinderopvang onder de verantwoordelijkheid valt van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Door deze splitsing komen er verschillende financiële stromen bij elkaar wanneer VVE wordt uitgevoerd op het kinderdagverblijf of de peuteropvang. Ook gelden er dan twee kwaliteitskaders naast elkaar en vindt toezicht plaats vanuit twee organisaties (namelijk de Inspectie van het Onderwijs voor VVE en de GGD voor kinderopvang).

Rol gemeente

Gemeenten krijgen geld van de Rijksoverheid om de voorschoolse educatie vorm te geven. Er zijn wettelijk een aantal minimale eisen vastgelegd waaraan moet worden voldaan. Door deze eisen wordt een minimaal kwaliteitsniveau gewaarborgd. De kwaliteitseisen zijn vastgelegd in het Besluit Basisvoorwaarden Kwaliteit Voorschoolse Educatie.

De gemeente bepaalt op welke kinderopvangorganisaties gesubsidieerde VVE wordt aangeboden. Per 1 augustus 2020 zijn gemeenten verplicht om per week ten minste 16 uur voorschoolse educatie aan te bieden aan kinderen met een VVE indicatie (960 uur per peuter per jaar). Voorheen was dat 10 uur per week. Hiervoor hebben de gemeenten extra budget van de Rijksoverheid gekregen. Omdat VVE niet bedoeld is als opvang mogen dagdelen VVE vanaf 2020 niet langer dan zes uur zijn.

Vroegschoolse educatie op school

Scholen zijn verantwoordelijk voor de vroegschoolse educatie, hierin heeft de gemeente geen rol. De Rijksoverheid geeft scholen budget om kinderen met een (risico op een) taalachterstand extra ondersteuning te bieden tijdens de hele schoolloopbaan. Scholen mogen zelf bepalen hoe zij dit budget besteden. Het aanbieden van vroegschoolse educatie voor extra ondersteuning van de kleuters kan een mogelijkheid zijn. Ook kan gedacht worden aan het inzetten van extra personeel of het verkleinen van de groepsgrootte.

Meer informatie

Wettelijk eisen VE

Er zijn 15 wettelijke eisen die aan het pedagogisch beleidsplan, de pedagogische praktijk en personeel en groepen voor voorschoolse educatie worden gesteld.

  1. De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, zo concreet en toetsbaar mogelijk, de voor het kindercentrum kenmerkende visie op de voorschoolse educatie en de wijze waarop deze visie is te herkennen in het aanbod van activiteiten.

  2. De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, zo concreet en toetsbaar mogelijk, de wijze waarop de ontwikkeling van het jonge kind wordt gestimuleerd, in het bijzonder op de gebieden taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling.

  3. De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, zo concreet en toetsbaar mogelijk, de wijze waarop de ontwikkeling van peuters wordt gevolgd en de wijze waarop het aanbod van voorschoolse educatie hierop wordt afgestemd.

  4. De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, zo concreet en toetsbaar mogelijk, de wijze waarop de ouders worden betrokken bij het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen.

  5. De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, op zo concreet en toetsbaar mogelijke wijze, de inrichting van een passende ruimte waarin voorschoolse educatie wordt verzorgd en de wijze waarop passend materiaal voor voorschoolse educatie beschikbaar wordt gesteld.

  6. De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, zo concreet en toetsbaar mogelijk, de wijze waarop wordt vormgegeven aan de inhoudelijke aansluiting tussen voor- en vroegschoolse educatie en aan een zorgvuldige overgang van het kind van voor- naar vroegschoolse educatie.

  7. De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden geeft uitvoering aan het pedagogisch beleidsplan wat de aanvullende onderwerpen voor voorschoolse educatie betreft, evalueert de uitvoering jaarlijks, en stelt het plan zo nodig aan de hand hiervan bij.

  8. De voorschoolse educatie omvat per week ten minste vier dagdelen van ten minste 2,5 uur of per week ten minste 10 uur aan activiteiten gericht op het stimuleren van de ontwikkelingsdomeinen taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling.

  9. De verhouding tussen het aantal beroepskrachten voorschoolse educatie en het feitelijk aantal aanwezige kinderen in de groep bedraagt ten minste één beroepskracht voorschoolse educatie per acht kinderen.

  10. De groep bestaat uit ten hoogste 16 feitelijk aanwezige kinderen.

  11. Een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, verleend ten aanzien van de door hen te verrichten beroepswerkzaamheden. OF De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt geboden draagt er zorg voor dat beroepskrachten voorschoolse educatie in het bezit zijn van: Een getuigschrift van een opleiding zoals opgenomen in de meest recent aangevangen cao Kinderopvang en cao Sociaal Werk.

  12. De bezitter van een getuigschrift dat niet een keuzedeel voorschoolse educatie in de beroepsopleiding omvat, maakt aantoonbaar dat met gunstig gevolg scholing is afgerond, bestaande uit ten minste 12 dagdelen, die specifiek is gericht op het verwerven van kennis en vaardigheden met betrekking tot voorschoolse educatie als genoemd in het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie. OF Onderdeel van een beroepsopleiding vormt ten minste een met gunstig gevolg afgesloten keuzedeel dat is gericht op het ontwikkelingsgericht werken in de voorschoolse educatie en dat ten minste kennis en vaardigheden omvat met betrekking tot: a. het werken met programma’s voor voor- en vroegschoolse educatie, b. het stimuleren van de ontwikkeling van het jonge kind, in het bijzonder op de gebieden taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling, c. het volgen van de ontwikkeling van peuters en het hierop afstemmen van het aanbod van voorschoolse educatie, d. het betrekken van de ouders bij het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen, en e. het vormgeven aan de inhoudelijke aansluiting tussen voor- en vroegschoolse educatie en aan een zorgvuldige overgang van het kind van voor- naar vroegschoolse educatie. In afwijking hiervan is het keuzedeel niet vereist indien de genoemde kennis en vaardigheden al onderdeel zijn van de beroepsopleiding waarop de kwalificatie is gericht.

  13. De beroepskracht voorschoolse educatie beheerst aantoonbaar ten minste niveau 3F op de onderdelen Mondelinge Taalvaardigheid en Lezen.

  14. De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden, stelt jaarlijks voor elke locatie voorschoolse educatie een opleidingsplan vast dat in elk geval tot uitdrukking brengt op welke wijze de kennis en vaardigheden (als genoemd in het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie) van de beroepskracht voorschoolse educatie worden onderhouden. De houder geeft op concrete en toetsbare wijze uitvoering aan het opleidingsplan, evalueert het plan jaarlijks en stelt het plan aan de hand van de evaluatie zo nodig bij.

  15. Voor de voorschoolse educatie wordt een programma gebruikt waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling.

Zie ook Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie.

Meer over verschillende soorten kinderopvang