VVE

Voor- en vroegschoolse educatie (VVE) is erop gericht om ontwikkelingsachterstanden bij kinderen in de leeftijd van twee tot zes jaar te voorkomen of te verminderen. Dit gebeurt door kinderen spelenderwijs te laten leren. Door speciaal hiervoor ontwikkelde programma’s (zie hieronder) aan te bieden in de thuissituatie, op het kinderdagverblijf, de peuteropvang of op school krijgen kinderen een extra steuntje in de rug.

Voor kinderen tussen de twee en half tot vier jaar worden de VVE-programma’s aangeboden op de dagopvang of peuteropvang (voorschoolse educatie). Voor kinderen vanaf vier jaar worden de programma’s aangeboden in groep 1 en groep 2 van de basisschool (vroegschoolse educatie). Door deze extra ondersteuning nemen (taal)achterstanden af en maken kinderen een betere start op de basisschool.

VVE programma’s

Er zijn veel verschillende VVE-programma’s beschikbaar. De meeste programma’s richten zich op de ontwikkeling van taal. Daarnaast is er ook aandacht voor de brede cognitieve ontwikkeling (bijvoorbeeld rollenspel, kleuren onderscheiden) , sociaal-emotionele ontwikkeling (bijvoorbeeld samen spelen) en motorische ontwikkeling (bijvoorbeeld knippen, leren fietsen). De meest gebruikte programma’s in Nederland zijn Kaleidoscoop en Piramide, ook Uk en Puk wordt veel gebruikt. Belangrijker nog dan het programma, zijn de pedagogisch medewerkers die met het programma werken. De pedagogisch medewerkers bepalen in belangrijke mate de kwaliteit van het educatieve aanbod en de pedagogische kwaliteit van de opvang. Een VVE-programma kan daarbij ondersteunend zijn, maar de kwaliteiten en vaardigheden van de pedagogisch medewerker staan hierin voorop.

Voor wie is VVE?

Welke kinderen komen in aanmerking voor VVE? In de wet is vastgelegd dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor voorschoolse educatie. De gemeente bepaalt welke kinderen in aanmerking komen voor VVE. Over het algemeen wordt op het consultatiebureau bekeken of een peuter extra ondersteuning nodig heeft (indiceren). Het kan per gemeente verschillen welke kinderen gebruik mogen maken van voorschoolse educatie. Op het moment dat een peuter een zogenaamde indicatie heeft gekregen bestaat er ook recht op een tegemoetkoming in de kosten. Ook kinderen zonder indicatie kunnen (meestal) gebruik maken van VVE. In dat geval krijgen zij geen tegemoetkoming in de kosten van de gemeente (zie alinea 'Kosten voor ouders').

Kosten voor ouders

Wanneer er sprake is van een VVE-indicatie door het consultatiebureau betaalt de gemeente over het algemeen een (groot) deel van de kosten voor voorschoolse educatie. Ouders betalen een ouderbijdrage. Voor ouders die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag is deze ouderbijdrage vaak berekend op basis van het inkomen. Hoe hoog de ouderbijdrage is verschilt per gemeente, hiervoor zijn geen landelijke richtlijnen.

Ouders die naast de tegemoetkoming van de gemeente recht hebben op kinderopvangtoeslag (bijvoorbeeld omdat het kind meer uur naar de opvang gaat dan het aantal uur waarop het kind recht heeft op VVE) moeten goed opletten dat zij het juiste uurtarief en het juiste aantal uur doorgeven aan de Belastingdienst/Toeslagen. Meer informatie over dit onderwerp vindt u in de brochure ‘Harmonisatie peuterspeelzalen – waar moet ik aan denken? Checklist voor ouders’.

Als er geen VVE-indicatie is gegeven kan in veel gevallen alsnog gebruik gemaakt worden van voorschoolse educatie. Over het algemeen hebben ouders in die situaties geen recht op een tegemoetkoming in de kosten door de gemeente, wel kan het zijn dat zij recht hebben op kinderopvangtoeslag. Ook hier geldt dat de gemeente mag bepalen hoe zij hiermee omgaan, hier kan dus van gemeente tot gemeente een verschillend beleid voor gelden.

Verantwoordelijke ministeries en inspectie

VVE valt onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), terwijl kinderopvang onder de verantwoordelijkheid valt van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Door deze splitsing komen er verschillende financiële stromen bij elkaar wanneer VVE wordt uitgevoerd op het kinderdagverblijf of de peuteropvang. Ook gelden er dan twee kwaliteitskaders naast elkaar en vindt toezicht plaats vanuit twee organisaties (namelijk de Inspectie van het Onderwijs voor VVE en de GGD voor kinderopvang).

Rol gemeente

Gemeenten krijgen geld van de Rijksoverheid om de voorschoolse educatie vorm te geven. Er zijn wettelijk een aantal minimale eisen vastgelegd waaraan moet worden voldaan. Door deze eisen wordt een minimaal kwaliteitsniveau gewaarborgd. De kwaliteitseisen zijn vastgelegd in het Besluit Basisvoorwaarden Kwaliteit Voorschoolse Educatie.

De gemeente bepaalt op welke kinderopvangorganisaties gesubsidieerde VVE wordt aangeboden. Gemeenten zijn verplicht om per week ten minste tien uur VVE aan te bieden aan kinderen met een VVE indicatie. Vanaf 2020 wordt dit minimum verhoogt naar ten minste zestien uur voorschoolse educatie. Hiervoor krijgen de gemeenten extra budget van de Rijksoverheid. Omdat VVE niet bedoeld is als opvang mogen dagdelen VVE vanaf 2020 niet langer dan zes uur zijn.

Vroegschoolse educatie op school

Scholen zijn verantwoordelijk voor de vroegschoolse educatie, hierin heeft de gemeente geen rol. De Rijksoverheid geeft scholen budget om kinderen met een (risico op een) taalachterstand extra ondersteuning te bieden tijdens de hele schoolloopbaan. Scholen mogen zelf bepalen hoe zij dit budget besteden. Het aanbieden van vroegschoolse educatie voor extra ondersteuning van de kleuters kan een mogelijkheid zijn. Ook kan gedacht worden aan het inzetten van extra personeel of het verkleinen van de groepsgrootte.

Meer informatie