IKK uitgelicht

In onze nieuwsbrief lichten we elke maand een onderdeel uit de Wet Innovatie Kwaliteit Kinderopvang (IKK) uit. Deze vindt u hieronder. Elke maand wordt er een onderdeel toegevoegd.

Toezicht en handhaving in de kinderopvang

Handhaving en sanctionering
Het inspectierapport
Inspectie op veiligheid en gezondheid
Inspectie op pedagogisch klimaat
Inspectie op accommodatie
Inspectie op personeel en groepen
Waarop inspecteert de GGD? (kort overzicht)
GGD inspectie: gepland of spontaan?
Toezicht en handhaving: wie doet wat?
Het proces van toezicht & handhaving

Veiligheid en gezondheid in de kinderopvang

Controle op de veiligheid en gezondheid
Grote versus kleine risico's
Veiligheids- en gezondheidscategorieën
Kinderen leren omgaan met risico's
Kinder EHBO
De achterwacht
Het vierogenprincipe
De meldcode
Welke risico’s moeten in het veiligheids- en gezondheidsbeleid?
Veiligheids- en gezondheidsbeleid: geen éénmalige actie
Het veiligheids- en gezondheidsbeleid en de oc
Veiligheids- en gezondheidsbeleid

Pedagogische kwaliteit kinderopvang

Inzet stagiairs
Inzet vrijwilligers
Premanente scholing pedagogisch medewerkers (leid(st)ers)
Beroepskracht-kindratio baby's
Taaleis pedagogisch medewerkers
Coaching on the job
Drieuursregeling
Vaste gezichtencriterium
Structureel volgen ontwikkeling kind
De mentor
Pedagogische doelen uit de Wet kinderopvang
Wet IKK ingegaan

 

Handhaving en sanctionering

De toezichthouder (GGD inspecteur) maakt tijdens zijn bezoek aan het kindercentrum gebruik van landelijk vastgestelde toetsingskaders. Uitkomsten van de getoetste onderdelen worden ingevuld in een afwegingsmodel. Dit model is gebaseerd op een risico-analyse waarbij wordt beoordeeld in welke mate een negatief effect optreedt als niet wordt voldaan aan kwaliteitseisen.

De toezichthouder adviseert de gemeente dus naar aanleiding van een inspectie om wel of niet te handhaven en om eventueel af te wijken van het handhavingsbeleid van de gemeente. Afwijken betekent dat er rekening gehouden wordt met verzachtende en verzwarende omstandigheden.

In het inspectierapport wordt opgenomen welke handhavingsbesluiten er zijn genomen. Bij (een) eventuele overtreding(en) geeft de handhaver per overtreding de exacte hersteltermijn aan met de acties die van het kindercentrum worden verwacht zodat de houder precies weet wat en wanneer het verzuim hersteld moet zijn. In geval van zwaardere overtredingen kan het zijn dat de gemeente besluit om de GGD de opdracht te geven nader onderzoek te doen (her-inspectie). Dit nadere onderzoek (herinspectie) zal zich richten op het nagaan van herstel van de domeinen die eerder niet in orde waren.

Sancties
Er kan een keuze gemaakt worden uit de volgende wettelijke maatregelen om naleving van de kwaliteitseisen af te dwingen:

  • Aanwijzing (door College) of bevel (door toezichthouder)
  • Bestuursdwang
  • Last onder dwangsom
  • Exploitatieverbod
  • Uitschrijving uit register
  • Bestuurlijke boete

Het handhaving en sanctiebeleid is per gemeente op te zoeken. U kunt nagaan hoe het in uw gemeente is opgesteld met de zoekterm ‘Handhaving en sanctiebeleid en kinderopvang gemeente ……’

Het inspectierapport

De toezichthouder van de GGD (de inspecteur kinderopvang) stelt na het bezoek aan de kinderopvanglocatie (de inspectie) een rapport op. Het rapport wordt samengesteld aan de hand van de bevindingen tijdens het bezoek en eventuele aanvullende documenten die de kinderopvangorganisatie heeft aangeleverd op verzoek van de toezichthouder. Denk bijvoorbeeld aan het pedagogisch beleid of een overzicht van welke kinderen onder welke mentor vallen.

Het definitieve rapport wordt naar de kinderopvangorganisatie opgestuurd. Deze kan hierop akkoord geven en eventueel reageren. Daarna wordt het gepubliceerd op het Landelijk Register Kinderopvang (LRK). De kinderopvangorganisatie is verplicht het rapport duidelijk op de eigen website te publiceren. Elk inspectierapport rapport moet worden besproken met de oudercommissie.

In het LRK vindt u naast het volledige rapport een samenvatting van het rapport. Deze is zodanig weergegeven dat u in één oogopslag kunt zien wat de bevindingen zijn. Er wordt gebruik gemaakt van drie kleuren:

Donkerblauw – in orde
Lichtblauw – (deels) niet in orde
Grijs – niet beoordeeld

Inspectie op veiligheid en gezondheid

Is de opvang veilig en gezond? De toezichthouder van de GGD beoordeelt dit aan de hand van twee kernvoorwaarden. Ten eerste zijn kinderopvangorganisaties verplicht een actueel veiligheids- en gezondheidsbeleid te hebben dat past bij de activiteiten, de locatie en de inrichting van de kinderopvangorganisatie. Ten tweede moet de houder van een kindercentrum voor het personeel een meldcode vaststellen waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling wordt omgegaan.

Elke locatie (peuterspeelzaal, kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang) van een kinderopvangorganisatie is verplicht zijn eigen beleid op veiligheid en risico te hebben. Dit beleid komt voort vanuit de pedagogische visie van de organisatie en de locatie zelf (binnen- en buitenruimte/tuin). Immers; een pedagogische visie op bijvoorbeeld het stellen van grenzen en in hoeverre kinderen de ruimte krijgen om zelf dingen te ontdekken hangt samen met welke (veiligheids)maatregelen er vervolgens wel en niet worden genomen. Het is dus belangrijk om het veiligheids- en gezondheidsbeleid in samenhang met het pedagogisch beleid te beoordelen.

In de Wet kinderopvang worden verder specifieke eisen gesteld aan het veiligheids- en gezondheidsbeleid. Belangrijk is dat het beleid altijd actueel is en een continu proces kent van opstellen, implementeren, evalueren en actualiseren. Dit proces wordt samen met de pedagogisch medewerkers doorlopen en ook (structureel) samen met de oudercommissie, die adviesrecht heeft op het beleid op het gebied van veiligheid en gezondheid.

De Wet kinderopvang stelt de volgende eisen aan het veiligheids- en gezondheidsbeleid:

  • Actueel
  • Continu proces
  • Voornaamste risico’s met grote gevolgen
  • Leren omgaan met kleine risico’s
  • Grensoverschrijdend gedrag
  • Vierogenprincipe
  • Plan van aanpak
  • Achterwacht
  • Inzichtelijk 

Een toelichting op deze eisen vindt u op de themapagina over het veiligheids- en gezondheidsbeleid.

Voorheen was een jaarlijks vastgestelde risico-inventarisatie (RI&E) verplicht. Deze is niet afgeschaft, maar het (nieuwe) veiligheids- en gezondheidsbeleid vloeit hier niet meer uit voort. De verplichting tot het bijhouden van een ongevallenlijst is vervallen voor dag-, peuter- en buitenschoolse opvang. Voor de gastouderopvang geldt de verplichting voor de risico-inventarisatie en ongevallenlijst nog wel.

Ten aanzien van de meldcode kindermishandeling controleert de toezichthouder niet alleen of een houder deze vastgesteld heeft, maar ook of de houder de kennis en het gebruik van de meldcode bij het personeel bevordert.

Onderwerpen die verder in het veiligheids-en gezondheidsbeleid thuishoren zijn o.a. het beleid rondom vaccineren, privacy, hitte, veiligheid en personeel, uitstapjes, ziekte en hygiëne en gezonde kinderopvang. Meer informatie over deze en andere onderwerpen leest u ook in onze brochure Veiligheid & Gezondheid.

 

Inspectie op ‘Pedagogisch klimaat’

Net als inspectiedomein ‘personeel en groepen’, vormt ook het ‘pedagogisch klimaat’ een onderdeel van de totale pedagogische kwaliteit. Het pedagogisch klimaat gaat vooral over de proceskenmerken, de meer ‘zachte’ zaken, zoals gedrag en houding. De GGD inspecteert drie onderdelen die vallen binnen het pedagogisch klimaat.

  1. Allereerst de pedagogische praktijk, dat gaat over de manier waarop het personeel, vooral de pedagogisch medewerkers, met de kinderen omgaat (proces kenmerken). Bij kwalitatief goede, verantwoorde kinderopvang voelen kinderen zich emotioneel veilig en geborgen omdat er sensitief en responsief met hen wordt omgegaan, respect is voor hun zelfstandigheid, structuur wordt geboden en grenzen aan gedrag worden gesteld. Kinderen worden spelenderwijs uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische -, cognitieve -, taal- en creatieve vaardigheden. Goed pedagogisch onderlegde medewerkers zijn in staat om kinderen te begeleiden in hun onderlinge interacties met andere kinderen.

    De pedagogische praktijk is moeilijk vast te leggen en te waarborgen met wetten en regels. Het vereist dan ook een open, nieuwsgierige en kritische blik van de toezichthouder om de pedagogische kwaliteit van de interacties tussen kinderen en pedagogisch medewerkers en kinderen onderling goed te kunnen beoordelen.

  2. De GGD controleert ook of de visie op de pedagogische praktijk goed op papier beschreven staat. Iedere kinderopvanglocatie moet dan ook een pedagogisch beleidsplan hebben. De houder moet ervoor zorgen dat de beroepskrachten dit plan kennen zodat ze ernaar kunnen handelen. Het pedagogisch beleidsplan (pbp) moet verplichte onderdelen beschrijven. Bijvoorbeeld hoe de ontwikkeling van kinderen gevolgd wordt en met ouders besproken; de werkwijze, omvang en leeftijdsopbouw van de stamgroepen; hoe wordt omgegaan met de beroepskracht-kindratio en de drie-uursregeling; hoe de ruimtes worden ingericht.

  3. Tot slot valt ook, indien aanwezig, de inspectie van de voorschoolse educatie (VE) onder dit domein. Zowel de wettelijke eisen die aan het pedagogisch beleidsplan worden gesteld voor VE, als die aan de pedagogische praktijk, personeel en groepen.

Lees ook onze brochure ‘Pedagogische kwaliteit’.

Inspectie op ‘accommodatie’

Bij het inspecteren van de accommodatie van een kinderopvanglocatie, gaat het simpel gezegd over de vraag of de ruimtes groot genoeg, kindvriendelijk en uitdagend ingericht zijn. Wat houdt dit nu precies in?

Zoals we vorige maand bij het inspectiedomein ‘Personeel en groepen’ ook al schreven, is de pedagogische kwaliteit van een kinderopvanglocatie erg bepalend om te kunnen beoordelen of er sprake is van kwalitatief goede, verantwoorde kinderopvang. Pedagogische kwaliteit is meer dan alleen het pedagogisch beleid en klimaat en bestaat uit twee categorieën: structurele kenmerken (meer ‘harde’ zaken, meetbaar) en proceskenmerken (meer ‘zachte’ zaken, zoals gedrag en houding) van kwaliteit. Naast zaken als bijvoorbeeld groepsgrootte, leeftijdssamenstelling van een groep, aantal pedagogisch medewerkers op een groep, opleidingsniveau, vormt ook de accommodatie een belangrijk onderdeel van de structurele pedagogische kwaliteit.

Ten eerste moeten de binnen- en buitenruimtes veilig zijn, toegankelijk en passend ingericht voor zowel het aantal kinderen dat wordt opgevangen als hun leeftijd. Verder moet er bij de dagopvang voor elke stamgroep een afzonderlijke vaste stamgroepruimte beschikbaar zijn. Voor kinderen tot de leeftijd van anderhalf jaar moet er een afzonderlijke slaapruimte aanwezig zijn die is afgestemd op het aantal aanwezige kinderen. Voor kinderen op de bso geldt geen eis voor een vaste groepsruimte. Voor beide opvangsoorten moet een kindercentrum ten minste 3,5 m² binnenspeelruimte per in het kindercentrum aanwezig kind beschikbaar hebben en ten minste 3 m² vaste buitenspeelruimte. Voor kinderen tot twee jaar moet de buitenspeelruimte aangrenzend zijn aan het kindercentrum. Voor kinderen van twee jaar of ouder mag de buitenspeelruimte ook alleen grenzen aan het gebouw waarin het kindercentrum is gevestigd.

In de praktijk zijn deze ‘harde en meetbare’ eisen aan de accommodatie per situatie verschillend en moet iedere situatie dan ook afzonderlijk en in de eigen totale omgeving beoordeeld worden door de inspecteur. Is er bij dagopvang bijvoorbeeld wel sprake van een afzonderlijke groepsruimte als er met halve deuren of muren wordt gewerkt? Het is van belang dat de toezichthouder uitgaat van de intentie van de regelgeving. In dit voorbeeld moet de groepsruimte gelegenheid bieden dat de basisgroep er 'afgezonderd' kan verblijven en dat er sprake is van een en dezelfde ruimte. Per situatie kan verschillen of daaraan wordt voldaan. Een halve deur of een niet volledig tot het plafond opgetrokken muur in een verder volledig ter beschikking staande omgeving hoeft niet een belemmering te zijn om te spreken van een afzonderlijke ruimte. 

Binnenruimtes buiten de stamgroepruimte mogen worden opgeteld op de oppervlakte van de afzonderlijke groepsruimtes. Deze moeten dan wel passend voor spelactiviteiten ingericht zijn en worden evenredig aan de groepen toebedeeld. Het moeilijke aan het inspectiedomein ‘Accommodatie’ is dat de inspecteur van de GGD alleen kijkt naar de criteria uit de regelgeving voor de kinderopvang. Maar een kinderopvanglocatie moet daarnaast ook voldoen aan veiligheids- en gezondheidseisen uit het Bouwbesluit 2012 Kinderopvang (brandveiligheid, luchtkwaliteit) en de hygiënerichtlijnen van het RIVM. De ogenschijnlijk simpele vraag of de gang wel of niet meegeteld mag worden met het beschikbare oppervlak, en onder welke voorwaarden, wordt daarmee maatwerk per situatie. Zo kan de ene gang een ‘verkeersruimte’ zijn, die als vluchtgang is aangemerkt en kan een andere gang prima als opvangruimte dienen. Daarnaast moet de toezichthouder erop toezien dat àls de ruimte bedoeld is om meegerekend te worden voor de beschikbare oppervlakte, het van belang is dat de ruimte ook daadwerkelijk door kinderen gebruikt wordt voor activiteiten. De ruimte telt immers mee voor het bepalen van het aantal op te vangen kinderen.

Meer info over huisvesting

Inspectie op 'personeel en groepen'

De pedagogische kwaliteit van een kinderopvanglocatie is erg bepalend om te kunnen beoordelen of er sprake is van kwalitatief goede, verantwoorde kinderopvang. Hoge pedagogische kwaliteit heeft een positief effect op de ontwikkeling en het welbevinden van kinderen. De kwaliteitseisen die gesteld worden aan het personeel en de groepen zijn hierin van belang. Deze kwaliteitseisen hebben dan ook als doel om de minimale kwaliteit te waarborgen en de inspectie van deze onderwerpen is een belangrijke graadmeter.

De GGD inspecteur controleert of er voldoende pedagogisch medewerkers op een groep staan in verhouding tot het aantal en de leeftijd van de kinderen die in die groep worden opgevangen (de beroepskracht-kindratio (BKR)) en of zij de juiste diploma’s hebben. Ook de manier waarop medewerkers in opleiding en stagiaires ingezet worden, wordt gecontroleerd. Al het personeel moet in bezit zijn van een Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) en ingeschreven staan in het personenregister kinderopvang.

De stabiliteit van de opvang is belangrijk voor de emotionele veiligheid en geborgenheid van kinderen. Daarom wordt gecontroleerd of de kinderen worden opgevangen in vaste groepen en worden er strikte eisen gesteld aan de groepsgrootte en –samenstelling. Het vaste gezichtencriterium zorgt ervoor dat kinderen in ieder geval altijd door één van de voor hen vaste, vertrouwde, medewerker wordt opgevangen.

Tot slot wordt bij dit inspectiedomein ook gekeken of er een pedagogisch beleidsmedewerker en –coach is ingezet, die alle medewerkers jaarlijks coacht op het gebied van pedagogische kwaliteit en het pedagogisch handelen tijdens het werken op de groep. En of de voorgeschreven voertaal echt gebruikt wordt.

Per opvangsoort (dagopvang/bso/gastouderopvang) gelden andere kwaliteitseisen waarop geïnspecteerd wordt.

Lees meer over het belang van een goede pedagogische kwaliteit.

Waarop inspecteert de GGD? (kort overzicht)

De toezichthouder van de GGD controleert of de kwaliteit van de kinderopvanglocatie voldoet aan de wet en regelgeving. De volgende onderwerpen worden gecontroleerd:

Registratie, wijzigingen en administratie
Controle op de registratie van de kinderopvanglocatie. Wanneer er een verzoek van wijzigen wordt ingediend wordt hierop gecontroleerd. De administratie wordt door de toezichthouder opgevraagd.

Pedagogisch klimaat
- Pedagogische praktijk: is het pedagogisch beleid zichtbaar op de groep?
- Pedagogisch beleid: is er een pedagogisch beleid opgesteld en voldoet deze aan de eisen?
- Voorschoolse educatie (VE): wanneer er VE wordt aangeboden dient deze aan de eisen te voldoen.

Personeel en groepen
- Opleidingseisen en eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiaires.
- Verklaring omtrent gedrag en personenregister kinderopvang.
- Stabiliteit van de opvang voor kinderen: vaste gezichtencriteria.
- Aantal beroepskrachten
- Gebruik van de voorgeschreven voertaal

Veiligheid en gezondheid
- Veiligheids- en gezondheidsbeleid: is er een beleid opgesteld en voldoet deze aan de eisen?
- Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

Accommodatie
- Eisen aan ruimtes

Ouderrecht
- Informatieverstrekking
- Oudercommissie
- Klachten en geschillen

 

GGD inspectie op de opvang: gepland of spontaan?

Elk kinderdagverblijf, elke bso en elk gastouderbureau wordt jaarlijks door de toezichthouder kinderopvang van de GGD bezocht voor een inspectie. Dat jaarlijkse bezoek is spontaan: kinderopvangorganisaties weten niet wanneer de toezichthouder langs komt.

Als er bij een overtreding een hersteltermijn wordt afgesproken kan de GGD nogmaals langs gaan ter controle. Het hangt af van de aard van de overtreding of het vervolgonderzoek op afspraak of onverwachts is. Bij signalen (van bijvoorbeeld ouders) over de kwaliteit of veiligheid kan de gemeente de opdracht geven aan een inspecteur om een extra, ongepland bezoek te brengen aan de kinderopvangorganisatie.

Er vinden ook inspecties op afspraak plaats: vóór er een nieuwe locatie wordt geopend of als er een uitbreiding van het aantal kindplaatsen wordt aangevraagd.

Toezicht en handhaving: wie doet wat?

De gemeente is opdrachtgever van de inspectie van de kinderopvangorganisatie/gastouder. De inspectie wordt uitgevoerd door de GGD. Indien een kinderopvangorganisatie/gastouder onvoldoende presteert wordt in het inspectierapport een handhavingsadvies opgenomen. De GGD adviseert de gemeente dus over de maatregelen die de gemeente kan nemen. Bijvoorbeeld: de GGD opdracht geven extra te inspecteren of de kinderopvangorganisatie een boete op te leggen. De gemeente besluit of zij het advies van de GGD opvolgt of niet.

Jaarlijks stuurt de gemeente een overzicht van alle toezicht‐ en handhavingstaken die de gemeente in een kalenderjaar heeft verricht naar de gemeenteraad en naar de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). De Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) is gesprekspartner van de rijksoverheid en ondersteunt de gemeenten. Tot slot is er de Inspectie van het Onderwijs. Deze instantie controleert of het toezicht door de GGD en het handhaven door gemeenten goed functioneert. Daarnaast heeft de Inspectie van het Onderwijs een signalerende functie richting het ministerie van SZW. Ook zorgt de Inspectie van het Onderwijs voor het toezicht op de voor- en vroegschoolse educatie (VVE).
Meer over de rollen en verantwoordelijkheden van de diverse instanties vindt u in onze factsheet toezicht en handhaving.

Het proces van toezicht & handhaving

Alle kinderopvanglocaties, gastouderbureaus en enkele gastouders, worden ter controle jaarlijks bezocht door een inspecteur van de locale GGD. Dit gebeurt in opdracht van de gemeente. Het bezoek is meestal onaangekondigd. De GGD inspecteur houdt toezicht: hij/zij controleert of een kinderopvanglocatie voldoet aan de landelijke kwaliteitseisen uit de Wet kinderopvang.

Van de inspectie wordt een inspectierapport gemaakt. Dit rapport is openbaar. Als de opvang niet aan de eisen voldoet kan de inspecteur ervoor kiezen een hersteltermijn te bieden. Bijvoorbeeld bij een kleinere overtreding die snel opgelost kan worden. Bij ernstige of veelvuldige overtredingen kan de GGD de gemeente adviseren te handhaven. Dit kan leiden tot een boete en in het ergste geval kan de gemeente de kinderopvanglocatie sluiten. De gemeente besluit wat zij doet met handhavingsadvies van de GGD (en kan dus ook besluiten dit niet op te volgen). Bij twijfels over de kwaliteit van de kinderopvang kunnen ouder(commissie)s de locale GGD benaderen. Zo ontvangt de GGD ook belangrijke signalen wanneer zij zelf niet op inspectiebezoek zijn, maar die wel heel veel inzicht kunnen geven over hoe het werkelijk met de kwaliteit is gesteld.

Controle op de veiligheid en gezondheid

Bij de jaarlijkse inspectie zal de GGD controleren of de kinderopvangorganisatie een actueel veiligheids- en gezondheidsbeleid heeft. Ook zal de inspecteur kijken welke risico's er op de locatie zijn en welke maatregelen er zijn getroffen om de risico's te beperken. Er zal eveneens worden gekeken naar de pedagogische visie van de organisatie waar die invloed heeft op de veiligheid van de kinderen. Denk aan risicovol spelen (zie hierboven). De bevindingen van de inspecteur worden opgenomen in het openbare inspectierapport. Bij ernstige risico's kan de GGD overgaan tot een herinspectie of de gemeente adviseren te handhaven.

In de gastouderopvang moet er i.p.v. een veiligheids- en gezondheidsbeleid een risico-inventarisatie zijn en moet er een ongevallenlijst worden bijgehouden. De GGD inspecteur zal hier bij de inspectie naar vragen.

Heeft u vragen over de veiligheid en gezondheid van uw kinderopvang? Ga dan in gesprek met de organisatie en/of de oudercommissie. Uw zorg kan een reden zijn het veiligheids- en gezondheidsbeleid te herzien. Heeft u ernstige zorgen en krijgt u geen gehoor bij de organisatie, dan kunt u een melding doen bij de GGD in uw regio (vraag naar de inspecteur kinderopvang).

Grote versus kleine risico's

In het veiligheids- en gezondheidsbeleid van een kinderopvangorganisatie moeten de voornaamste risico’s  met grote gevolgen voor de veiligheid en gezondheid van de kinderen staan. Het beleid moet helemaal worden toegespitst op de eigen kinderopvanglocatie. Het motto van de Wet IKK is: beschermen tegen grote risico's leren omgaan met kleine risico's. Pedagogisch medewerkers moeten kinderen leren omgaan met kleine risico’s omdat dit van groot belang is voor hun ontwikkeling; zo leren kinderen hun eigen grenzen kennen, gevaar inschatten, hulp vragen wanneer nodig enzovoort. En bovendien; kinderen ervaren ook succes en een gevoel van trots wanneer ze iets zelfstandig of met weinig hulp doen wat ze nog nooit gedaan hebben. Dat draagt bij aan de ontwikkeling van hun zelfvertrouwen. Kinderen hebben er dus de rest van hun leven profijt van als ze de ruimte krijgen om zelf te ontdekken en leren omgaan met risico’s en grenzen. De kinderopvang speelt hier dus ook een belangrijke rol in. In het veiligheids- en gezondheidsbeleid staat beschreven hóe kinderen geleerd wordt met kleine risico's om te gaan. De oudercommissie heeft adviesrecht op het veiligheids- en gezondheidsbeleid. Overigens hangen de keuzes die een organisatie maakt op het gebied van veiligheid en gezondheid ook sterk samen met de manier waarop zij kijken naar de ontwikkeling van kinderen en de wijze waarop de organisatie daarmee om wil gaan, dus met de pedagogische visie van de organisatie. Het is daarom ook goed die visie (opgenomen in het pedagogisch beleid) erbij te betrekken. Ook op het pedagogisch beleid heeft de oudercommissie adviesrecht.

Veiligheids- en gezondheidscategorieën

In de Wet IKK is vastgelegd dat een kinderopvangorganisatie een actueel veiligheids- en gezondheidsbeleid moet hebben. Wat moet er in dit beleid komen? We onderscheiden 12 veiligheidsaspecten en 11 gezondheidsaspecten. Je mag als oudercommissie verwachten dat deze onderwerpen in ieder geval terugkomen in het pedagogisch beleid van de kinderopvangorganisatie. Het is dus goed om het beleid van uw organisatie naast deze lijst te leggen. Welke keuzes er vervolgens inhoudelijk worden gemaakt hangt ook af van de visie van de organisatie op wat een veilige en gezonde omgeving is voor kinderen en van hoe zij dit waarborgen in de praktijk van alledag. 

Veiligheid

  • EHBO
  • Grensoverschrijdend gedrag
  • Vierogenprincipe
  • Achterwachtregeling
  • Drie-uursregeling en half-uursregeling
  • Vervoer
  • Activiteiten en uitstapjes
  • Leren omgaan met risico's
  • Risicovol spelen
  • Huisvesting
  • Brandveiligheid
  • Privacy
  • Gezondheid

Hygiëne

  • Binnenmilieu
  • Voeding
  • Voedselveiligheid
  • Bewegen
  • Kinderziektes
  • Vaccinaties
  • Zonbescherming
  • Hitteprotocol
  • Mediaopvoeding
  • Seksuele ontwikkeling

In onze brochure 'Veiligheid en gezondheid in de kinderopvang' staat op alle bovengenoemde onderwerpen een toelichting.

Kinderen leren omgaan met risico's

Van fouten en bijvoorbeeld een valpartij leren kinderen veel. 'Als kinderen geen risico's meer ervaren, kunnen ze later niet goed omgaan met weerstand, zoals tegengesproken worden. Zo creëer je een generatie die overal gevaren ziet en heel angstig is', aldus Judith Stolwijk, sportpedagoog. Daarom is het uitgangspunt van de Wet IKK 'beschermen tegen grote risico's, leren omgaan met kleine risico's'. Wat grote en wat kleine risico's zijn en hoe de organisatie daarmee omgaat moet zijn vastgelegd in het veilgheids- en gezondheidsbeleid. Op dit beleid heeft de oc adviesrecht. Als oc zou je de organisatie kunnen adviseren een alinea 'risicovol spelen' in het beleid op te nemen. Over dit onderwerp publiceren we dit najaar een factsheet.
Hoe leer je kinderen met kleine risico's omgaan? Louis Tavecchio hoogleraar pedagogiek: ‘Je moet kinderen wijzen op de risico’s, maar overdrijf niet. In het spel moet je kinderen de kans geven ook een keer te vallen.' 

Lees meer in de column van Louis Tavecchio 'Wijs kinderen op risico's maar overdrijf niet'.

Kinder EHBO

Op elk kindercentrum moet minimaal één volwassene met een kinder-EHBO-certificaat aanwezig zijn tijdens openingsuren. Het ministerie van SZW heeft een lijst opgesteld met geregistreerde EHBO-certificaten die kwalificeren. Deze lijst is onlangs uitgebreid.

Tip: er moet minimaal één persoon met een kinder-EHBO-certificaat op het kindercentrum aanwezig zijn tijdens de openingsuren. Beter is natuurlijk één persoon per groep. Nog beter: alle medewerkers die op de groep staan.

De achterwacht

Als de beroepskracht-kindratio het toelaat kan het zijn dat er slechts één beroepskracht (pedagogisch medewerker / leidster) in het kindercentrum aanwezig is. Dat mag als een andere volwassene beschikbaar en telefonisch bereikbaar is. Die persoon moet binnen vijftien minuten in het kindercentrum aanwezig kunnen zijn in het geval van een calamiteit. De pedagogisch medewerker(s) moet(en) uiteraard naam en het telefoonnummer van deze deze zogenaamde achterwacht weten. De achterwachtregeling is niet nieuw. Wat wel nieuw is is dat hóe de achterwacht concreet is geregeld moet zijn vastgelegd in het veiligheids- en gezondheidsbeleid.

Het vierogenprincipe

Het vierogenprincipe houdt in dat de opvang zodanig wordt georganiseerd dat een pedagogisch medewerker, pedagogisch medewerker in opleiding, stagiair, vrijwilliger of andere volwassene de werkzaamheden uitsluitend kan verrichten terwijl hij/zij gezien of gehoord kan worden door een andere volwassene. Dit hoeft niet te betekenen dat er altijd meer dan één volwassene op de opvanglocatie aanwezig moet zijn. Doel van dit principe is dat het risico op misbruik van kinderen wordt beperkt door te voorkomen dat volwassenen zich binnen een kinderdagverblijf of een peuterspeelzaal gedurende langere tijd ongehoord of ongezien kunnen terugtrekken met een kind.

Hoe het vierogenprincipe in de praktijk wordt ingevuld moet in het veiligheids- en gezondheidsbeleid van een kinderdagverblijf en peuteropvang* staan. In de brochure 'Het vierogenprincipe in de dagelijkse praktijk' vertellen vijf kinderopvangorganisaties én hun oudercommissies hoe zij invulling hebben gegeven aan het vierogenprincipe.

*Het vierogenprincipe is niet verplicht voor de bso en gastouderopvang.

 

De meldcode kindermishandeling en grensoverschrijdend gedrag

Elke kinderopvangorganisatie moet een meldcode kindermishandeling hebben waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Tevens moet in de meldcode staan hoe er zo snel mogelijk hulp kan worden geboden. Samen met branchepartijen uit de kinderopvang hebben we een model voor de meldcode voor de kinderopvangbranche gemaakt. Daar kan elke kinderopvangorganisatie gebruik van maken.

Deze meldcode heet voluit 'Protocol 'kindermishandeling en grensoverschrijdend gedrag' voor de kinderopvang'. Dit protocol bestaat uit 3 routes:

  • Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in de thuissituatie (sinds 1 januari 2019 met het nieuwe, bijbehorende afwegingskader).
  • Meldplicht bij een vermoeden van een gewelds- of zedendelict door een medewerker.
  • Stappenplan seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen kinderen onderling'.

Meldcode app
Van het protocol is een 'digitale vertaling' gemaakt in app vorm. Met de app kan de meldcode/meldplicht/stappenplan heel makkelijk en laagdrempelig worden doorlopen. Meer over de app en gratis downloaden.

Afwegingskader
Sinds dit jaar is in de meldcode een afwegingskader opgenomen. Met dit kader wordt door het beantwoorden van vier vragen duidelijk of er melding moet worden gedaan bij Veilig Thuis en/of er hulp kan worden geboden. Er is een speciale folder met (uitleg over) het afwegingskaderontwikkeld.

De meldcode en de oc
Wat kunt u als oc doen? Bij de organisatie nagaan of er en meldcode is opgenomen in het veiligheids- en gezondheidsbeleid. Zo niet, dan kunt u de organisatie hierover adviseren. Adviseer bijvoorbeeld om gebruik te maken van het hierboven genoemde protocol en om de speciale app te downloaden. Ook kunt u deze nformatie doorsturen naar uw contactpersoon binnen de organisatie. 

Samenvatting meldcode kindermishandeling
Download het volledige protocol

 

Welke risico’s moeten in het veiligheids- en gezondheidsbeleid van een kinderopvangorganisatie staan?

Er wordt niet voorgeschreven welke grote risico’s beschreven moeten worden in het veiligheidsbeleid van een kindercentrum. Dat komt omdat de situatie op elke kinderopvanglocatie anders is. Daarnaast wordt de houder op deze manier 'gedwongen' bewust na te denken over welke risico’s er zijn op zijn/haar opvanglocatie, de gevolgen ervan (groot of klein?) en welke maatregelen er genomen (moeten) worden om grote risico’s te beperken. Hierdoor ontstaat er echt beleid op maat.

Ieder kindercentrum dient zelf in overleg met de pedagogisch medewerkers en de oudercommissie te bepalen wat de grootste risico’s zijn op basis van de specifieke omstandigheden van het kindercentrum. De GGD controleert bij de jaarlijkse inspectie of deze inschatting adequaat is. Risico’s die niet aan de orde zijn op het betreffende kindercentrum, hoeven niet (meer) beschreven te worden. 

 

Veiligheids- en gezondheidsbeleid: geen éénmalige actie

Voor een nieuwe kinderopvanglocatie opent moet er een veiligheids- en gezondheidsbeleid zijn. Dit beleid moet binnen drie maanden na opening geactualiseerd worden. Vervolgens moet de organisatie zorgen dat het veiligheids- en gezondheidsbeleid actueel blijft. Dat betekent dat het moet worden aangepast als er aanleiding voor is. Het is een continu proces is van opstellen, implementeren, evalueren en actualiseren. Dit dient in samenwerking met de pedagogisch medewerkers (pm’ers) te worden gedaan. Voor pm’ers is het veiligheids- en gezondheidsbeleid een richtlijn voor het handelen in de dagelijkse praktijk: er staat in hoe de grote risico’s worden ingeperkt en welke actie wordt ondernomen als er zich een ongezonde en/of onveilige situatie voordoet. De organisatie moet ervoor zorgen dat het veiligheids- en gezondheidsbeleid inzichtelijk is voor de pm’ers, stagiairs, vrijwilligers en ouders. In het beleid moet ook staan hoe het inzichtelijk wordt gemaakt, bijvoorbeeld via de website of een papieren exemplaar op de locatie. De oudercommissie heeft wettelijk adviesrecht op het beleid op het gebied van voeding, opvoeding, veiligheid en gezondheid.

 

Het veiligheids- en gezondheidsbeleid en de oc

Als oudercommissie heb je de verantwoordelijkheid om de kwaliteit van de kinderopvang te bewaken en waar mogelijk de houder te adviseren om de kwaliteit te verbeteren. Onder kwaliteit valt uiteraard ook de veiligheid en gezondheid van de kinderen. Daarom heb je als oudercommissie adviesrecht op het veiligheids- en gezondheidsbeleid van de organisatie. Dat betekent dat bij de ontwikkeling van het veiligheids- en gezondheidsbeleid de oudercommissie om advies moet worden gevraagd. Als het goed is, is dat voor 1 januari 2018 gedaan toen deze IKK eis inging. Maar ook op wijzigingen in en aanvullingen op het beleid heeft u als oudercommissie adviesrecht.

 

Veiligheids- en gezondheidsbeleid

Met het oog op veiligheid en gezondheid is het motto in de Wet IKK: kinderen beschermen tegen grote risico’s en leren omgaan met kleine risico’s. Om dit in de praktijk te kunnen toepassen is het nodig dat er inzicht is in de risico’s. Daarom moet elk kinderdagverblijf en elke bso een veiligheids- en gezondheidsbeleid hebben waarin de risico’s van de betreffende opvanglocatie staan omschreven. Dit beleid vormt het uitganspunt voor het handelen in de praktijk.  
Het veiligheids- en gezondheidsbeleid is in de plaats van de risico-inventarisatie gekomen. De verplichting om een ongevallenlijst bij te houden is komen te vervallen. De risico-inventarisatie en ongevallenlijst zijn nog wel verplicht in de gastouderopvang.

 

Inzet van stagiair(e)s

Het aandeel van het aantal beroepskrachten-in-opleiding (van beroepsbegeleidende leerwegen) en stagiair(e)s (beroepsopleidende leerweg) dat formatief* wordt ingezet mag niet groter zijn dan één derde van het personeelsbestand aan pedagogisch medewerkers op een kindercentrum. Dat geldt voor ieder moment gedurende de opvang, m.u.v.de momenten die zijn vastgelegd in de drieuursregeling. Beroepskrachten-in-opleiding en stagiaires kunnen nog steeds als extra ondersteuning op de groep staan. De voorwaarden waaronder beroepskrachten-in-opleiding en stagiaires mogen worden ingezet als pedagogisch medewerker, zijn in de cao kinderopvang verder uitgewerkt. Lees meer.

*Formatief betekent dat de medewerker mee telt in de beroepskracht-kindratio.

 

Inzet vrijwilligers

In de dagopvang telden vrijwilligers al niet mee bij de beroepskracht-kindratio (bkr). Sinds 1 januari 2018 mogen vrijwilligers ook in de bso niet meer formatief worden ingezet. Wel kunnen ze nog extra ondersteuning op de groep bieden. Voor (voormalig) peuterspeelzalen gelden dezelfde eisen als voor dagopvang: ook daar tellen vrijwilligers dus niet mee in de bkr. De bkr kunt u berekenen op www.1ratio.nl. Vrijwilligers moeten zijn ingeschreven in het personenregister.

 

Scholing van pedagogisch medewerkers

Permanente scholing
Kinderopvang is een vak. De leid(st)ers (officieel pedagogisch medewerkers (pm'ers)) zijn professionals. Zoals in elk vak is het belangrijk om te blijven leren. Om dat voor pm'ers mogelijk te maken is in de Wet IKK vastgelegd dat elke kinderopvangorganisatie een scholingsplan voor zijn medewerkers moet hebben. Dit plan wordt in overeenstemming met (een vertegenwoordiging) het personeel opgesteld.

In dit plan komen in ieder geval de volgende zaken aan de orde: het beschikbare budget, de scholingsfaciliteiten (aanvraagprocedure, verlofmogelijkheden, kostenvergoeding en eventuele terugbetalingsverplichting). Ook moeten de loopbaanfaciliteiten worden opgenomen: mogelijkheden voor een loopbaangesprek met een door de werknemer in overleg met de werkgever gekozen deskundige, mogelijkheden voor de werknemer om te komen tot een persoonlijk opleidingsplan en/of loopbaanontwikkelingsplan en mogelijkheden ter bevordering van doorstroom.

Babyscholing
Pm’ers die werken met baby’s moeten per 1 januari 2023 extra scholing hebben gehad. Deze scholing is gericht op kennis en vaardigheden, specifiek voor het werken met baby’s. Er geldt een studiebelasting van 20 uur en er moet een schriftelijk bewijs zijn van een goede afronding. Lees meer op https://www.veranderingenkinderopvang.nl/babyscholing.

Scholing en de oc
De oudercommissie heeft adviesrecht op de kwaliteit van de opvang. Scholing van medewerkers kan bijdragen aan het verhogen van de kwaliteit. Daarom heeft de oc adviesrecht op het scholingsplan. Je mag ook ongevraagd adviseren.


De beroepskracht-kindratio voor baby's

De beroepskracht-kindratio (bkr) geeft aan hoeveel kinderen één pedagogisch medewerker (pm’er) mag opvangen. Sinds 1 januari 2019 is de bkr voor baby's (nuljarigen) één op drie. Daarvoor was dat één op vier. Het doel is de kwaliteit van de babyopvang te vergroten doordat er meer tijd is voor elke baby. Door de nieuwe bkr kan een organisatie ervoor kiezen om de groepen anders in te delen. Dat kan de groepsgrootte en de leeftijd van de kinderen in de groep betreffen. Hierover heeft de oc adviesrecht. Belangrijk om daarbij te onthouden: stabiliteit is het belangrijkste kwaliteitskenmerk van de groep. BOinK leden vinden uitgebreide uitleg over de nieuwe bkr in het nieuwste BOinK Magazine.
Het exacte aantal medewerkers voor een groep kan worden berekend op 1ratio.nl. Zie ook het informatiefilmpje van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor meer info.

NB: de beroepskracht-kindratio voor kinderen van 7 tot 12 jaar in de bso is per 1 januari 2019 ook gewijzigd: pm'ers mogen in plaats van tien, twaalf kinderen van zeven jaar en ouder opvangen.

 

Taaleis voor medewerkers

Een goede taalontwikkeling is belangrijk voor het kind om een goede start te maken op de basisschool. Een taalrijke omgeving is hierbij cruciaal. Pedagogisch medewerkers moeten daarom minimaal niveau 3F of B2 voor mondelinge taalvaardigheid hebben. Dat houdt in: "Kan op een effectieve wijze deelnemen aan (semi-)formele en informele gesprekken over onderwerpen van praktische, sociale en beroepsmatige aard. Kan in een discussie een mening geven en die met argumenten onderbouwen." 

Deze kwalificatie-eis gaat in per 1 januari 2025*. Dat betekent dat pedagogisch medewerkers vanaf dat moment aantoonbaar aan deze eis moeten voldoen. Een deel van de pedagogisch medewerkers voldoet al aan deze eis of behaalt de taaltoets zonder aanvullende scholing, maar het kan ook zijn dat een pedagogisch medewerker voor 1 januari 2025 hiervoor scholing krijgt.

*Update juli 2020: in eerste instantie ging de taaleis per 1 januari 2023 in. Dit uitgesteld naar 1 januari 2025.

Lees meer op de site van fcb.

 

Coaching on the job

Kinderopvang is een vak. De pedagogisch medewerkers zijn professionals. Om hen te helpen bij hun dagelijkse werkzaamheden worden zij vanaf 1 januari 2019 gecoacht. Doel: het bevorderen van deskundigheid en professionele vaardigheden van pedagogisch medewerkers zodat de kwaliteit van hun werkzaamheden met de kinderen op de groepen verbetert. Elke opvangorganisatie moet per 1 januari 2019 een pedagogisch coach in dienst hebben die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van het pedagogisch beleid en het coachen en begeleiden van de medewerkers tijdens hun werkzaamheden.

De houder van een kinderopvangorganisatie moet jaarlijks 10 uur begeleiding bieden per ft. Deze ft moet hij/zij rekenen over het totaal van de werkzame beroepskrachten. De houder kan deze uren naar eigen inzicht over de beroepskrachten verdelen. Daarin is dus maatwerk mogelijk. De functie van pedagogisch coach mag worden gecombineerd met de functie van pedagogisch beleidsmedewerker.

Meer info
Functieomschrijvingen pedagogisch coach en beleidsmedewerker 

 

De drieuursregeling

De drieuursregeling is niet nieuw maar wel vernieuwd:

Bij minimaal tien uur aaneengesloten opvang, kan worden afgeweken van de beroepskracht-kindratio. Dat mag maximaal drie uur per dag. Er kunnen tijdens die uren minder pedagogisch medewerkers worden ingezet. Voorwaarde is dat minimaal de helft van het vereiste aantal medewerkers wordt ingezet.

De afwijkende uren moeten worden vastgelegd in het pedagogisch beleidsplan én gecommuniceerd met de ouders. De uren voor de afwijkende inzet kunnen op de dagen van de week verschillen, maar zijn wel iedere week hetzelfde. Dus op maandag mag er op andere uren worden afgeweken dan op dinsdag, maar op alle maandagen gelden dezelfde tijden waarop wordt afgeweken.

Buitenschoolse opvang
Op de bso mogen er voor en na schooltijd en op vrije middagen maximaal een half uur per dag minder pedagogisch medewerkers worden ingezet, maar minimaal de helft van de benodigde pedagogisch medewerkers. Naast dit half uur per dag is op vrije dagen en in de vakantie dezelfde drieuursregeling van toepassing als in de dagopvang. Op voorwaarde dat minimaal 10 uur aaneengesloten opvang wordt geboden. Ook de buitenschoolse opvang moet de drieuursregeling vastleggen in het pedagogisch beleidsplan.

Tijdens de drieuursregeling blijft het vierogenprincipe altijd van kracht.

 

Vaste gezichtencriterium

Stabiliteit is belangrijk voor de emotionele veiligheid en geborgenheid van kinderen. Als een kind zich veilig en vertrouwd voelt en een veilige basis ervaart, durft het op ontdekking uit te gaan. Pas dan kan een kind zich ontwikkelen. Omdat heel jonge kinderen de veiligheid krijgen van degenen die voor hen zorgen, de pedagogisch medewerkers, is juist voor hen herkenbaarheid heel belangrijk.

In de wet IKK is daarom het zogenaamde vaste gezichtencriterium voor baby’s (nuljarigen) aangeschrept. Voorheen mocht een baby drie vaste gezichten hebben. Nu geldt een maximum van twee vaste gezichten bij een groepsgrootte waar één of twee pedagogisch medewerkers vereist zijn. Bij een groepsgrootte waarvoor drie of vier pedagogosich medewerkers vereist zijn mag een baby maximaal drie vaste gezichten hebben. Op een dag moet er voor elke baby altijd (minimaal) één vast gezicht aanwezig zijn.

Het aantal vereiste pedagogisch medewerkers hangt af van de groepsgrootte en leeftijd van de kinderen. Deze kunt u hier berekenen.

NB: het vaste gezichtencriterium staat los van de nieuwe beroepskracht-kindratio voor die 1 januari 2019 is ingegaan (zie uitleg hierboven).

Lees meer over het toezicht op het vaste gezichtencriterium.

 

Structureel volgen en stimuleren van de ontwikkeling 

Een kinderopvangorganisatie is verplicht de ontwikkeling van een kind structureel te volgen en stimuleren. Er moet worden gestreefd naar een doorlopende ontwikkellijn met het basisonderwijs en eventueel de buitenschoolse opvang. De manier waarop de ontwikkeling wordt gevolgd en gestimuleerd mag de organisatie zelf bepalen maar moet wel worden vastgelegd in het pedagogisch beleidsplan. Daarin moet ook vermeld staan hoe, met toestemming van de ouders, kennis over de ontwikkeling van het kind wordt overgedragen aan de basisschool en eventueel de buitenschoolse opvang. NB: ook hierin moet de organisatie aan de nieuwe privacywetgeving (AVG) voldoen.

Wat ook in het pedagogisch beleidsplan moet worden opgenomen is hoe bijzonderheden in de ontwikkeling van het kind of problemen worden gesignaleerd en hoe ouders worden doorverwezen naar passende instanties voor verdere ondersteuning.

De mentor van het kind (zie hierboven) moet de ontwikkeling van het kind periodiek met de ouders bespreken. 

 

De mentor

Elk kind in de dagopvang en buitenschoolse opvang heeft sinds de invoering van de Wet IKK (1 januari jl.) een mentor. Als ouder word je door de organisatie op de hoogte gesteld wie de mentor van je kind is. De mentor (en tevens aanspreekpunt/contactpersoon) is een pedagogisch medewerker die werkt op de groep van het kind want het is essentieel dat de mentor het kind echt kent.

Ontwikkelingen volgen
De mentor heeft als taak de ontwikkeling van het kind te volgen en aan te sluiten op de individuele behoeften van een kind. Mogelijke achterstanden worden zo tijdig gesignaleerd.

Bespreken
In de dagopvang bespreekt de mentor de ontwikkeling en het welbevinden van het kind regelmatig met de ouders. Dat kan ook op initiatief van de ouders. In de buitenschoolse opvang wordt de ontwikkeling besproken als daar behoefte aan is bij de mentor, de ouder of het kind. De mentor kan een rol spelen in het contact met andere (zorg)professionals (als de ouders hiervoor toestemming hebben gegeven).

De kinderopvangondernemer stelt in het pedagogisch beleidsplan vast hoe de invulling is van het mentorschap.

 

Pedagogische doelen

Professor in de ontwikkelingspsychologie M. Riksen - Walraven heeft na uitvoerig onderzoek vier basisdoelen voor de opvoeding van kinderen opgesteld:  

  1. Bieden van een veilige basis, een ‘thuis’ waar kinderen zich kunnen ontspannen en zichzelf kunnen zijn.
  2. Gelegenheidbieden tot het ontwikkelen van ‘persoonlijke competentie’ (persoonskenmerken zoals veerkracht, zelfstandigheid en zelfvertrouwen, flexibiliteit en creativiteit).
  3. Gelegenheid bieden tot het ontwikkelen van sociale competentie (zich in een ander kunnen verplaatsen, kunnen communiceren, samenwerken, anderen helpen, conflicten voorkomen en oplossen, het ontwikkelen van sociale verantwoordelijkheid).
  4. Waarden en normen van de samenleving eigen maken.

Deze doelen zijn in de Wet IKK opgenomen. Dat betekent dat kinderopvangorganisaties in hun pedagogisch beleid (opvoed beleid) moeten omschrijven hoe zij deze doelen nastreven. Hoewel de doelen vast staan mag een opvangorganisatie vanuit haar eigen visie bepalen hóe ze de doelen wil bereiken. De oudercommissie heeft adviesrecht op de pedagogische kwaliteit van de kinderopvang en dus op het pedagogisch beleid. Onze brochure 'Adviseren over pedagogische kwaliteit' helpt daarbij op weg.

 

Wet IKK ingegaan

1 januari jl. is de wet Innovatie Kwaliteit Kinderopvang ingegaan en is de Harmonisatie van peuterspeelzalen afgerond. Peuterspeelzalen vallen nu onder de noemer 'kinderopvang' én moeten ook aan de nieuwe kwaliteiteisen voldoen.

De nieuwe wetten brengen verschillende veranderingen met zich mee. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft zes korte filmpjes gemaakt om uitleg te geven. Eén filmpje is speciaal voor ouders en oudercommissies.

 

Vragen over de nieuwe wetgeving? Kijk op onze website of neem contact met ons op tijdens ons spreekuur.

 

 

Meer over IKK

Inschrijven BOinK nieuwsbrief