IKK uitgelicht

In onze nieuwsbrief lichten we elke maand een onderdeel uit de Wet Innovatie Kwaliteit Kinderopvang (IKK) uit. Deze vindt u hieronder.

Thema veiligheid en gezondheid in de kinderopvang

Kinder EHBO
De achterwacht
Het vierogenprincipe
De meldcode
Welke risico’s moeten in het veiligheids- en gezondheidsbeleid?
Veiligheids- en gezondheidsbeleid: geen éénmalige actie
Het veiligheids- en gezondheidsbeleid en de oc
Veiligheids- en gezondheidsbeleid

Thema pedagogische kwaliteit kinderopvang

Inzet stagiairs
Inzet vrijwilligers
Premanente schiling pedagogsich medewerkers (leid(st)ers)
Beroepskracht-kindratio baby's
Taaleis pedagogisch medewerkers
Coaching on the job
Drieuursregeling
Vaste gezichtencriterium
Structureel volgen ontwikkeling kind
De mentor
Pedagogische doelen uit de Wet kinderopvang
Wet IKK ingegaan

Kinder EHBO

Op elk kindercentrum moet minimaal één volwassene met een kinder-EHBO-certificaat aanwezig zijn tijdens openingsuren. Het ministerie van SZW heeft een lijst opgesteld met geregistreerde EHBO-certificaten die kwalificeren. Deze lijst is onlangs uitgebreid.

Tip: er moet minimaal één persoon met een kinder-EHBO-certificaat op het kindercentrum aanwezig zijn tijdens de openingsuren. Beter is natuurlijk één persoon per groep. Nog beter: alle medewerkers die op de groep staan.

De achterwacht

Als de beroepskracht-kindratio het toelaat kan het zijn dat er slechts één beroepskracht (pedagogisch medewerker / leidster) in het kindercentrum aanwezig is. Dat mag als een andere volwassene beschikbaar en telefonisch bereikbaar is. Die persoon moet binnen vijftien minuten in het kindercentrum aanwezig kunnen zijn in het geval van een calamiteit. De pedagogsich medewerker(s) moet(en) uiteraard naam en het telefoonnummer van deze deze zogenaamde achterwacht weten. De achterwachtregeling is niet nieuw. Wat wel nieuw is is dat hóe de achterwacht concreet is geregeld moet zijn vastgelegd in het veiligheids- en gezondheidsbeleid.

Het vierogenprincipe

Het vierogenprincipe houdt in dat de opvang zodanig wordt georganiseerd dat een pedagogisch medewerker, pedagogisch medewerker in opleiding, stagiair, vrijwilliger of andere volwassene de werkzaamheden uitsluitend kan verrichten terwijl hij/zij gezien of gehoord kan worden door een andere volwassene. Dit hoeft niet te betekenen dat er altijd meer dan één volwassene op de opvanglocatie aanwezig moet zijn. Doel van dit principe is dat het risico op misbruik van kinderen wordt beperkt door te voorkomen dat volwassenen zich binnen een kinderdagverblijf of een peuterspeelzaal gedurende langere tijd ongehoord of ongezien kunnen terugtrekken met een kind.

Hoe het vierogenprincipe in de praktijk wordt ingevuld moet in het veiligheids- en gezondheidsbeleid van een kinderdagverblijf en peuteropvang* staan. In de brochure 'Het vierogenprincipe in de dagelijkse praktijk' vertellen vijf kinderopvangorganisaties én hun oudercommissies hoe zij invulling hebben gegeven aan het vierogenprincipe.

*Het vierogenprincipe is niet verplicht voor de bso en gastouderopvang.

 

De meldcode kindermishandeling en grensoverschrijdend gedrag

Elke kinderopvangorganisatie moet een meldcode kindermishandeling hebben waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan. Tevens moet in de meldcode staan hoe er zo snel mogelijk hulp kan worden geboden. Samen met branchepartijen uit de kinderopvang hebben we een model voor de meldcode voor de kinderopvangbranche gemaakt. Daar kan elke kinderopvangorganisatie gebruik van maken.

Deze meldcode heet voluit 'Protocol 'kindermishandeling en grensoverschrijdend gedrag' voor de kinderopvang'. Dit protocol bestaat uit 3 routes:

  • Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling in de thuissituatie (sinds 1 januari 2019 met het nieuwe, bijbehorende afwegingskader).
  • Meldplicht bij een vermoeden van een gewelds- of zedendelict door een medewerker.
  • Stappenplan seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen kinderen onderling'.

Meldcode app
Van het protocol is een 'digitale vertaling' gemaakt in app vorm. Met de app kan de meldcode/meldplicht/stappenplan heel makkelijk en laagdrempelig worden doorlopen. Meer over de app en gratis downloaden.

Afwegingskader
Sinds dit jaar is in de meldcode een afwegingskader opgenomen. Met dit kader wordt door het beantwoorden van vier vragen duidelijk of er melding moet worden gedaan bij Veilig Thuis en/of er hulp kan worden geboden. Er is een speciale folder met (uitleg over) het afwegingskaderontwikkeld.

De meldcode en de oc
Wat kunt u als oc doen? Bij de organisatie nagaan of er en meldcode is opgenomen in het veiligheids- en gezondheidsbeleid. Zo niet, dan kunt u de organisatie hierover adviseren. Adviseer bijvoorbeeld om gebruik te maken van het hierboven genoemde protocol en om de speciale app te downloaden. Ook kunt u deze nformatie doorsturen naar uw contactpersoon binnen de organisatie. 

Samenvatting meldcode kindermishandeling
Download het volledige protocol

 

Welke risico’s moeten in het veiligheids- en gezondheidsbeleid van een kinderopvangorganisatie staan?

Er wordt niet voorgeschreven welke grote risico’s beschreven moeten worden in het veiligheidsbeleid van een kindercentrum. Dat komt omdat de situatie op elke kinderopvanglocatie anders is. Daarnaast wordt de houder op deze manier 'gedwongen' bewust na te denken over welke risico’s er zijn op zijn/haar opvanglocatie, de gevolgen ervan (groot of klein?) en welke maatregelen er genomen (moeten) worden om grote risico’s te beperken. Hierdoor ontstaat er echt beleid op maat.

Ieder kindercentrum dient zelf in overleg met de pedagogisch medewerkers en de oudercommissie te bepalen wat de grootste risico’s zijn op basis van de specifieke omstandigheden van het kindercentrum. De GGD controleert bij de jaarlijkse inspectie of deze inschatting adequaat is. Risico’s die niet aan de orde zijn op het betreffende kindercentrum, hoeven niet (meer) beschreven te worden. 

 

Veiligheids- en gezondheidsbeleid: geen éénmalige actie

Voor een nieuwe kinderopvanglocatie opent moet er een veiligheids- en gezondheidsbeleid zijn. Dit beleid moet binnen drie maanden na opening geactualiseerd worden. Vervolgens moet de organisatie zorgen dat het veiligheids- en gezondheidsbeleid actueel blijft. Dat betekent dat het moet worden aangepast als er aanleiding voor is. Het is een continu proces is van opstellen, implementeren, evalueren en actualiseren. Dit dient in samenwerking met de pedagogisch medewerkers (pm’ers) te worden gedaan. Voor pm’ers is het veiligheids- en gezondheidsbeleid een richtlijn voor het handelen in de dagelijkse praktijk: er staat in hoe de grote risico’s worden ingeperkt en welke actie wordt ondernomen als er zich een ongezonde en/of onveilige situatie voordoet. De organisatie moet ervoor zorgen dat het veiligheids- en gezondheidsbeleid inzichtelijk is voor de pm’ers, stagiairs, vrijwilligers en ouders. In het beleid moet ook staan hoe het inzichtelijk wordt gemaakt, bijvoorbeeld via de website of een papieren exemplaar op de locatie. De oudercommissie heeft wettelijk adviesrecht op het beleid op het gebied van voeding, opvoeding, veiligheid en gezondheid.

 

Het veiligheids- en gezondheidsbeleid en de oc

Als oudercommissie heb je de verantwoordelijkheid om de kwaliteit van de kinderopvang te bewaken en waar mogelijk de houder te adviseren om de kwaliteit te verbeteren. Onder kwaliteit valt uiteraard ook de veiligheid en gezondheid van de kinderen. Daarom heb je als oudercommissie adviesrecht op het veiligheids- en gezondheidsbeleid van de organisatie. Dat betekent dat bij de ontwikkeling van het veiligheids- en gezondheidsbeleid de oudercommissie om advies moet worden gevraagd. Als het goed is, is dat voor 1 januari 2018 gedaan toen deze IKK eis inging. Maar ook op wijzigingen in en aanvullingen op het beleid heeft u als oudercommissie adviesrecht.

 

Veiligheids- en gezondheidsbeleid

Met het oog op veiligheid en gezondheid is het motto in de Wet IKK: kinderen beschermen tegen grote risico’s en leren omgaan met kleine risico’s. Om dit in de praktijk te kunnen toepassen is het nodig dat er inzicht is in de risico’s. Daarom moet elk kinderdagverblijf en elke bso een veiligheids- en gezondheidsbeleid hebben waarin de risico’s van de betreffende opvanglocatie staan omschreven. Dit beleid vormt het uitganspunt voor het handelen in de praktijk.  
Het veiligheids- en gezondheidsbeleid is in de plaats van de risico-inventarisatie gekomen. De verplichting om een ongevallenlijst bij te houden is komen te vervallen. De risico-inventarisatie en ongevallenlijst zijn nog wel verplicht in de gastouderopvang.

 

Inzet van stagiair(e)s

Het aandeel van het aantal beroepskrachten-in-opleiding (van beroepsbegeleidende leerwegen) en stagiair(e)s (beroepsopleidende leerweg) dat formatief* wordt ingezet mag niet groter zijn dan één derde van het personeelsbestand aan pedagogisch medewerkers op een kindercentrum. Dat geldt voor ieder moment gedurende de opvang, m.u.v.de momenten die zijn vastgelegd in de drieuursregeling. Beroepskrachten-in-opleiding en stagiaires kunnen nog steeds als extra ondersteuning op de groep staan. De voorwaarden waaronder beroepskrachten-in-opleiding en stagiaires mogen worden ingezet als pedagogisch medewerker, zijn in de cao kinderopvang verder uitgewerkt. Lees meer.

*Formatief betekent dat de medewerker mee telt in de beroepskracht-kindratio.

 

Inzet vrijwilligers

In de dagopvang telden vrijwilligers al niet mee bij de beroepskracht-kindratio (bkr). Sinds 1 januari 2018 mogen vrijwilligers ook in de bso niet meer formatief worden ingezet. Wel kunnen ze nog extra ondersteuning op de groep bieden. Voor (voormalig) peuterspeelzalen gelden dezelfde eisen als voor dagopvang: ook daar tellen vrijwilligers dus niet mee in de bkr. De bkr kunt u berekenen op www.1ratio.nl. Vrijwilligers moeten zijn ingeschreven in het personenregister.

 

Scholing van pedagogisch medewerkers

Permanente scholing
Kinderopvang is een vak. De leid(st)ers (officieel pedagogisch medewerkers (pm'ers)) zijn professionals. Zoals in elk vak is het belangrijk om te blijven leren. Om dat voor pm'ers mogelijk te maken is in de Wet IKK vastgelegd dat elke kinderopvangorganisatie een scholingsplan voor zijn medewerkers moet hebben. Dit plan wordt in overeenstemming met (een vertegenwoordiging) het personeel opgesteld.

In dit plan komen in ieder geval de volgende zaken aan de orde: het beschikbare budget, de scholingsfaciliteiten (aanvraagprocedure, verlofmogelijkheden, kostenvergoeding en eventuele terugbetalingsverplichting). Ook moeten de loopbaanfaciliteiten worden opgenomen: mogelijkheden voor een loopbaangesprek met een door de werknemer in overleg met de werkgever gekozen deskundige, mogelijkheden voor de werknemer om te komen tot een persoonlijk opleidingsplan en/of loopbaanontwikkelingsplan en mogelijkheden ter bevordering van doorstroom.

Babyscholing
Pm’ers die werken met baby’s moeten per 1 januari 2023 extra scholing hebben gehad. Deze scholing is gericht op kennis en vaardigheden, specifiek voor het werken met baby’s. Er geldt een studiebelasting van 20 uur en er moet een schriftelijk bewijs zijn van een goede afronding. Lees meer op https://www.veranderingenkinderopvang.nl/babyscholing.

Scholing en de oc
De oudercommissie heeft adviesrecht op de kwaliteit van de opvang. Scholing van medewerkers kan bijdragen aan het verhogen van de kwaliteit. Daarom heeft de oc adviesrecht op het scholingsplan. Je mag ook ongevraagd adviseren.


De beroepskracht-kindratio voor baby's

De beroepskracht-kindratio (bkr) geeft aan hoeveel kinderen één pedagogisch medewerker (pm’er) mag opvangen. Sinds 1 januari 2019 is de bkr voor baby's (nuljarigen) één op drie. Daarvoor was dat één op vier. Het doel is de kwaliteit van de babyopvang te vergroten doordat er meer tijd is voor elke baby. Door de nieuwe bkr kan een organisatie ervoor kiezen om de groepen anders in te delen. Dat kan de groepsgrootte en de leeftijd van de kinderen in de groep betreffen. Hierover heeft de oc adviesrecht. Belangrijk om daarbij te onthouden: stabiliteit is het belangrijkste kwaliteitskenmerk van de groep. BOinK leden vinden uitgebreide uitleg over de nieuwe bkr in het nieuwste BOinK Magazine.
Het exacte aantal medewerkers voor een groep kan worden berekend op 1ratio.nl. Zie ook het informatiefilmpje van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor meer info.

NB: de beroepskracht-kindratio voor kinderen van 7 tot 12 jaar in de bso is per 1 januari 2019 ook gewijzigd: pm'ers mogen in plaats van tien, twaalf kinderen van zeven jaar en ouder opvangen.

 

Taaleis voor medewerkers

Een goede taalontwikkeling is belangrijk voor het kind om een goede start te maken op de basisschool. Een taalrijke omgeving is hierbij cruciaal. Pedagogisch medewerkers moeten daarom minimaal niveau 3F of B2 voor mondelinge taalvaardigheid hebben. Dat houdt in: "Kan op een effectieve wijze deelnemen aan (semi-)formele en informele gesprekken over onderwerpen van praktische, sociale en beroepsmatige aard. Kan in een discussie een mening geven en die met argumenten onderbouwen." 

Deze kwalificatie-eis gaat in per 1 januari 2023. Dat betekent dat pedagogisch medewerkers vanaf dat moment aantoonbaar aan deze eis moeten voldoen. Een deel van de pedagogisch medewerkers voldoet al aan deze eis of behaalt de taaltoets zonder aanvullende scholing, maar het kan ook zijn dat een pedagogisch medewerker voor 1 januari 2023 hiervoor scholing krijgt.

Lees meer op de site van fcb.

 

Coaching on the job

Kinderopvang is een vak. De pedagogisch medewerkers zijn professionals. Om hen te helpen bij hun dagelijkse werkzaamheden worden zij vanaf 1 januari 2019 gecoacht. Doel: het bevorderen van deskundigheid en professionele vaardigheden van pedagogisch medewerkers zodat de kwaliteit van hun werkzaamheden met de kinderen op de groepen verbetert. Elke opvangorganisatie moet per 1 januari 2019 een pedagogisch coach in dienst hebben die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van het pedagogisch beleid en het coachen en begeleiden van de medewerkers tijdens hun werkzaamheden.

De houder van een kinderopvangorganisatie moet jaarlijks 10 uur begeleiding bieden per ft. Deze ft moet hij/zij rekenen over het totaal van de werkzame beroepskrachten. De houder kan deze uren naar eigen inzicht over de beroepskrachten verdelen. Daarin is dus maatwerk mogelijk. De functie van pedagogisch coach mag worden gecombineerd met de functie van pedagogisch beleidsmedewerker.

Meer info
Functieomschrijvingen pedagogisch coach en beleidsmedewerker 

 

De drieuursregeling

De drieuursregeling is niet nieuw maar wel vernieuwd:

Bij minimaal tien uur aaneengesloten opvang, kan worden afgeweken van de beroepskracht-kindratio. Dat mag maximaal drie uur per dag. Er kunnen tijdens die uren minder pedagogisch medewerkers worden ingezet. Voorwaarde is dat minimaal de helft van het vereiste aantal medewerkerswordt ingezet.

De afwijkende uren moeten worden vastgelegd in het pedagogisch beleidsplan én gecommuniceerd met de ouders. De uren voor de afwijkende inzet kunnen op de dagen van de week verschillen, maar zijn wel iedere week hetzelfde. Dus op maandag mag er op andere uren worden afgeweken dan op dinsdag, maar op alle maandagen gelden dezelfde tijden waarop wordt afgeweken.

Buitenschoolse opvang
Op de bso mogen er voor en na schooltijd en op vrije middagen maximaal een half uur per dag minder pedagogisch medewerkers worden ingezet, maar minimaal de helft van de benodigde pedagogisch medewerkers. Naast dit half uur per dag is op vrije dagen en in de vakantie dezelfde drieuursregeling van toepassing als in de dagopvang. Op voorwaarde dat minimaal 10 uur aaneengesloten opvang wordt geboden. Ook de buitenschoolse opvang moet de drieuursregeling vastleggen in het pedagogisch beleidsplan.

Tijdens de drieuursregeling blijft het vierogenprincipe altijd van kracht.

 

Vaste gezichtencriterium

Stabiliteit is belangrijk voor de emotionele veiligheid en geborgenheid van kinderen. Als een kind zich veilig en vertrouwd voelt en een veilige basis ervaart, durft het op ontdekking uit te gaan. Pas dan kan een kind zich ontwikkelen. Omdat heel jonge kinderen de veiligheid krijgen van degenen die voor hen zorgen, de pedagogisch medewerkers, is juist voor hen herkenbaarheid heel belangrijk.*  

In de wet IKK is daarom het zogenaamde vaste gezichtencriterium voor baby’s (nuljarigen) aangeschrept. Voorheen mocht een baby drie vaste gezichten hebben. Nu geldt een maximum van twee vaste gezichten bij een groepsgrootte waar één of twee pedagogisch medewerkers vereist zijn. Bij een groepsgrootte waarvoor drie of vier pedagogosich medewerkers vereist zijn mag een baby maximaal drie vaste gezichten hebben. Op een dag moet er voor elke baby altijd (minimaal) één vast gezicht aanwezig zijn.

Het aantal vereiste pedagogisch medewerkers hangt af van de groepsgrootte en leeftijd van de kinderen. Deze kunt u hier berekenen.

NB: het vaste gezichtencriterium staat los van de nieuwe beroepskracht-kindratio voor die 1 januari 2019 is ingegaan (zie uitleg hierboven).

Lees meer over het toezicht op het vaste gezichtencriterium.

*Meer hierover in onze nieuwe brochure 'Pedagogische kwaliteit in de kinderopvang' die deze zomer verschijnt.

 

Structureel volgen en stimuleren van de ontwikkeling 

Een kinderopvangorganisatie is verplicht de ontwikkeling van een kind structureel te volgen en stimuleren. Er moet worden gestreefd naar een doorlopende ontwikkellijn met het basisonderwijs en eventueel de buitenschoolse opvang. De manier waarop de ontwikkeling wordt gevolgd en gestimuleerd mag de organisatie zelf bepalen maar moet wel worden vastgelegd in het pedagogisch beleidsplan. Daarin moet ook vermeld staan hoe, met toestemming van de ouders, kennis over de ontwikkeling van het kind wordt overgedragen aan de basisschool en eventueel de buitenschoolse opvang. NB: ook hierin moet de organisatie aan de nieuwe privacywetgeving (AVG) voldoen.

Wat ook in het pedagogisch beleidsplan moet worden opgenomen is hoe bijzonderheden in de ontwikkeling van het kind of problemen worden gesignaleerd en hoe ouders worden doorverwezen naar passende instanties voor verdere ondersteuning.

De mentor van het kind (zie hierboven) moet de ontwikkeling van het kind periodiek met de ouders bespreken. 

 

De mentor

Elk kind in de dagopvang en buitenschoolse opvang heeft sinds de invoering van de Wet IKK (1 januari jl.) een mentor. Als ouder word je door de organisatie op de hoogte gesteld wie de mentor van je kind is. De mentor (en tevens aanspreekpunt/contactpersoon) is een pedagogisch medewerker die werkt op de groep van het kind want het is essentieel dat de mentor het kind echt kent.

Ontwikkelingen volgen
De mentor heeft als taak de ontwikkeling van het kind te volgen en aan te sluiten op de individuele behoeften van een kind. Mogelijke achterstanden worden zo tijdig gesignaleerd.

Bespreken
In de dagopvang bespreekt de mentor de ontwikkeling en het welbevinden van het kind regelmatig met de ouders. Dat kan ook op initiatief van de ouders. In de buitenschoolse opvang wordt de ontwikkeling besproken als daar behoefte aan is bij de mentor, de ouder of het kind. De mentor kan een rol spelen in het contact met andere (zorg)professionals (als de ouders hiervoor toestemming hebben gegeven).

De kinderopvangondernemer stelt in het pedagogisch beleidsplan vast hoe de invulling is van het mentorschap.

 

Pedagogische doelen

Professor in de ontwikkelingspsychologie M. Riksen - Walraven heeft na uitvoerig onderzoek vier basisdoelen voor de opvoeding van kinderen opgesteld:  

  1. Bieden van een veilige basis, een ‘thuis’ waar kinderen zich kunnen ontspannen en zichzelf kunnen zijn.
  2. Gelegenheidbieden tot het ontwikkelen van ‘persoonlijke competentie’ (persoonskenmerken zoals veerkracht, zelfstandigheid en zelfvertrouwen, flexibiliteit en creativiteit).
  3. Gelegenheid bieden tot het ontwikkelen van sociale competentie (zich in een ander kunnen verplaatsen, kunnen communiceren, samenwerken, anderen helpen, conflicten voorkomen en oplossen, het ontwikkelen van sociale verantwoordelijkheid).
  4. Waarden en normen van de samenleving eigen maken.

Deze doelen zijn in de Wet IKK opgenomen. Dat betekent dat kinderopvangorganisaties in hun pedagogisch beleid (opvoed beleid) moeten omschrijven hoe zij deze doelen nastreven. Hoewel de doelen vast staan mag een opvangorganisatie vanuit haar eigen visie bepalen hóe ze de doelen wil bereiken. De oudercommissie heeft adviesrecht op de pedagogische kwaliteit van de kinderopvang en dus op het pedagogisch beleid. Onze brochure 'Adviseren over pedagogische kwaliteit' helpt daarbij op weg.

 

Wet IKK ingegaan

1 januari jl. is de wet Innovatie Kwaliteit Kinderopvang ingegaan en is de Harmonisatie van peuterspeelzalen afgerond. Peuterspeelzalen vallen nu onder de noemer 'kinderopvang' én moeten ook aan de nieuwe kwaliteiteisen voldoen.

De nieuwe wetten brengen verschillende veranderingen met zich mee. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft zes korte filmpjes gemaakt om uitleg te geven. Eén filmpje is speciaal voor ouders en oudercommissies.

 

Vragen over de nieuwe wetgeving? Kijk op onze website of neem contact met ons op tijdens ons spreekuur.

 

 

Meer over IKK

Inschrijven BOinK nieuwsbrief