Een medewerker in de kinderopvang krijgt een Verklaring omtrent gedrag als er geen sprake is (geweest) van een veroordeling. Ook als er slechts verdenkingen tegen iemand zijn - dus nog geen veroordeling heeft plaatsgevonden - kan iemand een VOG krijgen.

Een medewerker in de kinderopvang vraagt een Verklaring omtrent gedrag aan voor een bepaalde werkgever. Zolang hij/zij niet van werkgever wisselt, is de VOG onbeperkt geldig.

Als u vermoedt dat er onverantwoorde kinderopvang wordt geboden waarbij de veiligheid van kinderen niet gewaarborgd is, kunt u contact opnemen met de GGD/gemeente. Zij kunnen bij een volgende inspectie rekening houden met uw klacht of een onaangekondigde inspectie inlassen.

 

Er is geen wetgeving die bepaalt dat de voordeur van het kindercentrum op slot moet. Een ondernemer moet wel veilige kinderopvang bieden en een voordeur die altijd open is kan ouders een onveilig gevoel geven. Een ondernemer moet aangeven hoe ze hier verantwoord mee omgaat.

 

Ja. In het rapport van de commissie Gunning, geschreven naar aanleiding van de zedenzaak in Amsterdam, wordt gepleit voor ‘altijd twee paar ogen op een groep’. Dit is echter een advies, men is verplicht bij wet om voldoende personeel in te zetten. Als een groep zo klein is dat slechts één pedagogisch medewerker voldoet, dan mag dit.

 

Ja, dit mag zolang er voldaan wordt aan de vereiste leidster-kindratio. Bovendien geldt er in zo’n geval wel een achterwachtregeling. Dit houdt in dat er een achterwacht beschikbaar dient te zijn die in geval van calamiteiten op het opvangadres aanwezig kan zijn binnen ambulance-aanrijtijden. Inzichtelijk moet zijn wie deze persoon is en waar deze te bereiken is. Tevens dient deze achterwacht tijdens opvangtijden altijd telefonisch bereikbaar te zijn.

Ja, dit klopt. De regeling die dit mogelijk maakt wordt de drie-uursregeling genoemd. Deze regeling ziet er zo uit:
‘Voor de flexibiliteit in de organisatie is het mogelijk dat in de dagopvang ten hoogste drie uur per dag (niet aaneengesloten) minder beroepskrachten worden ingezet dan volgens de leidster-kind ratio is vereist, maar nooit minder dan de helft van het benodigde aantal pedagogisch medewerkers. Is er in zo’n situatie slechts één pedagogisch medewerker in het kindercentrum, dan is er ter ondersteuning ten minste één andere volwassene als achterwacht in het kindercentrum aanwezig. Afwijken van de vereiste leidster-kind ratio is niet toegestaan tussen 9.30 en 12.30 uur en tussen 15.00 en 16.30 uur. Vóór 9.30 uur en na 16.30 uur mag de afwijking van de leidster-kind ratio niet langer duren dan anderhalf uur aaneengesloten en in de pauzeperiode tussen 12.30 en 15.00 uur niet langer dan twee uur aaneengesloten. Dit alles met een maximum van drie uur per dag.’

Dit verschilt per opvangsoort. Voor de dagopvang geldt dat er één pedagogisch medewerker moet zijn voor 4 nuljarigen, 5 éénjarigen, 6 tweejarigen of 8 driejarigen. Wanneer er sprake is van een gemengde groep wordt het gemiddelde hierover berekend waarbij er aan het einde van de berekening naar boven kan worden afgerond.
Voor de bso geldt dat er voor iedere 10 kinderen één pedagogisch medewerker moet zijn.

In de dagopvang geldt het volgende: de groep bestaat uit maximaal twaalf kinderen bij 0-1 jaar en maximaal zestien kinderen bij 0-4 jaar (waarvan maximaal acht kinderen tot 1 jaar).
 
In de buitenschoolse opvang bestaat een groep uit ten hoogste twintig kinderen in de leeftijd van vier jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt. Een groep kinderen in de leeftijd van acht jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt kan bestaan uit ten hoogste dertig kinderen. Op een groep met ten hoogste dertig kinderen, staan ten minste twee beroepskrachten, waarbij de beroepskrachten bij hun werkzaamheden worden ondersteund door een andere volwassene. Bij activiteiten in groepen groter dan dertig kinderen, besteedt de houder in het pedagogisch beleidsplan aantoonbaar extra aandacht aan de omgang met de vaste groep.
 
In de gastouderopvang kunnen maximaal 6 kinderen van 0 tot 13 jaar opgevangen worden. Daarbij worden eigen kinderen tot 10 jaar meegeteld. De gastouder mag echter niet meer dan 5 kinderen tegelijk opvangen, als deze kinderen allemaal jonger dan 4 jaar zijn en dit is inclusief de eigen kinderen tot 4 jaar. Tot slot mogen er maximaal 4 kinderen van 0 en 1 jaar tegelijk aanwezig zijn, waarvan maximaal 2 kinderen van 0 jaar. Dit is ook weer inclusief eigen kinderen van deze leeftijd.

Open deuren beleid is een pedagogische methode waarbij kinderen de gelegenheid krijgen om buiten de eigen groepsruimte met kinderen van andere groepen te spelen. Zeker naarmate de kinderen ouder worden is het belangrijk dat kinderen hun blikveld kunnen verruimen en één ruimte geeft hen te weinig uitdaging en exploratieruimte. Daarom geven de pedagogisch medewerkers de kinderen regelmatig de gelegenheid om hun omgeving buiten hun eigen groepsruimte te verkennen. Dit kan buitenspelen zijn, maar ook in de speelhal of in de groepsruimte van de andere kinderen. Zodra er ook een ontmoeting met andere kinderen plaatsvindt is er sprake van een open deuren beleid.
Voor baby’s is een open deuren beleid niet geschikt. Kinderen moeten zichzelf lopend kunnen verplaatsen. Verder is het belangrijk dat kinderen zelf invloed hebben op deelname aan het open deuren beleid. Sommige kinderen zijn te verlegen of nog maar net nieuw en voor andere kinderen biedt het open deuren beleid wellicht te weinig structuur. De pedagogisch medewerkers zijn er daarom om alles in goede banen te leiden.

Op grond van artikel 1.50 van de Wet kinderopvang moeten personen die werkzaam zijn in de kinderopvang (dus ook gastouderopvang!) in het bezit zijn van een verklaring omtrent het gedrag. Deze verplichting geldt ook voor uitzendkrachten en stagiaires met een leer/arbeidsovereenkomst. Voor stagiaires zonder stagecontract en voor vrijwilligers geldt deze verplichting niet.

In de toelichting op artikel 10 van de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang staat verder dat een houder of bestuurder van een kindercentrum vanwege diens verantwoordelijkheid in alle gevallen dient te beschikken over een verklaring omtrent het gedrag. Dit betekent dus ook dat de eigenaar of alle bestuursleden van een organisatie een verklaring omtrent gedrag moeten overleggen.
 
In principe is het voldoende als de verklaring één keer is afgegeven, dus voor onbepaalde tijd. Wel dient de verklaring op het moment van in dienst treden niet ouder te zijn dan twee maanden. Alleen als de houder van een kindercentrum een vermoeden heeft dat een werknemer niet langer voldoet aan de eisen die gelden voor het afgeven van een verklaring omtrent gedrag, kan de houder (werkgever) verlangen dat er een nieuwe verklaring wordt afgegeven.

 

 

Een achterwacht is iemand die in geval van nood ingeschakeld kan worden. Het is zo dat er een achterwacht geregeld moet zijn wanneer een leidster alleen op de groep staat zodat ze er niet helemaal alleen voor staat in geval van calamiteiten. Er zijn echter twee verschillende 'achterwachten'.

Tijdens de drie-urenregeling moet er een andere volwassene aanwezig zijn in het pand wanneer een leidster alleen op de groep staat. De leidster vangt tijdens de drie-urenregeling eigenlijk te veel kinderen op. Wanneer een leidster de hele dag alleen op de vestiging kan staan (bijvoorbeeld 1 leidster op 4 baby's) moet er een achterwacht 'geregeld zijn'. Deze hoeft dus niet persé in het pand te zijn. In het laatste geval wordt doorgaans de aanrijtijd van een ambulance aangehouden. Dit geldt ook voor de gastouderopvang.

Voor vestigingen met twee of meer groepen geldt de achterwachtregeling normaal gesproken niet. Iedere groep opent dan met minimaal één leidster waardoor er bij opening al meerdere leidsters aanwezig zijn. De achterwachtregeling geldt meestal dus pas voor grotere vestigingen als er weinig kinderen zijn en groepen worden samengevoegd bijvoorbeeld in vakanties en één pedagogisch medewerker met een aantal kinderen kan draaien.

In de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang staat in artikel 7.1 dat dagopvang moet beschikken over een aangrenzende, voor kinderen veilige en toegankelijke, alsmede op de leeftijd van de kinderen passend ingerichte buitenspeelruimte, waarvan de oppervlakte minimaal 3m2 bruto-oppervlakte speelruimte per aanwezig kind bedraagt.
In artikel 7.2 is ditzelfde geregeld voor de buitenschoolse opvang geregeld maar een buitenspeelruimte is daar bij voorkeur aangrenzend aan het kindercentrum.
De oudercommissie kan in een brief aan de vestigingsmanager of directie, met eventueel een kopie naar de GGD inspecteur kinderopvang, aandringen op een veilige buitenspeelruimte waarbij ook een termijn wordt gesteld waarbinnen de buitenspeelruimte gerealiseerd moet zijn. De oudercommissie heeft adviesrecht op het pedagogisch beleid. De oudercommissie kan een ongevraagd advies uitbrengen om het item buitenspelen in het pedagogisch beleidsplan te verankeren.

De opvang gedurende de dag valt onder verantwoordelijkheid van het kinderdagverblijf. Voor hen en voor de oudercommissie is het dan ook van belang om na te gaan hoe deze uitjes vorm krijgen, bijvoorbeeld de frequentie, begeleiding door pedagogisch medewerksters, vervoer en de communicatie naar ouders. Deze speciale activiteiten dienen ook in het pedagogisch beleid te worden opgenomen, zodat ouders inzicht hebben in de visie en werkwijze van het kinderdagverblijf.
Hiernaast moeten de veiligheidsrisico's met betrekking tot de uitstapjes in de risico-inventarisatie veiligheid worden beschreven en dient in een plan van aanpak te worden aangegeven welke maatregelen binnen welke termijn genomen moeten worden om de risico's te verminderen.
Deze vraag gaat ook over het kwaliteitsbeleid van het kinderdagverblijf. Het is goed dat het kinderdagverblijf de oudercommissie hierover om advies vraagt. De oudercommissie behartigt de belangen van alle ouders die opvang afnemen van het kinderdagverblijf en het is dan ook raadzaam om de ouders bijvoorbeeld een akkoordverklaring te laten tekenen voor dit soort uitjes.

Een ondernemer ziet zich soms om exploitatie redenen genoodzaakt om op bepaalde dagen groepen samen te voegen omdat er op die dagen erg weinig kinderen aanwezig zijn. Heeft de ondernemer het voornemen om dit samenvoegen op bepaalde dagen structureel in te voeren (bijvoorbeeld elke woensdag en vrijdag) dan heeft de ondernemer de plicht om de oudercommissie om advies te vragen. In het geval dat er groepen worden samengevoegd, verandert daarmee namelijk het pedagogisch beleidsplan waar de oudercommissie adviesrecht op heeft.
In het pedagogisch beleidsplan staat onder andere beschreven wat de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de stamgroepen is. Met het samenvoegen van groepen, veranderen de stamgroepen en het is dan ook een taak van de ondernemer om de continuïteit van de opvang voor kinderen te waarborgen. De pedagogische visie van de ondernemer hierop moet worden opgenomen in het pedagogisch beleid. Daarnaast heeft een oudercommissie natuurlijk ook adviesrecht op het algemene kwaliteitsbeleid en kan er daarom ook op letten of de kind-leidster-ratio en de opleidingseisen van de leid(st)er(s) na de samenvoeging nog voldoen aan de eisen uit de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang. Doet een ondernemer dit niet, dan kan de oudercommissie altijd aan de GGD om een extra inspectie vragen.
Indien het adviestraject is doorlopen en de oudercommissie heeft - onder bepaalde voorwaarden - toegestemd met het samenvoegen van groepen, dan moeten natuurlijk de ouders tijdig (rekening houdend met de opzegtermijn) worden geïnformeerd over het besluit. De ondernemer heeft namelijk wettelijk een informatieplicht naar alle ouders over het te voeren beleid.
Bovendien hebben ouders in hun contract getekend voor opvang van hun kind(eren) in een bepaalde stamgroep die zal veranderen door het samenvoegen van groepen.
Het is erg belangrijk dat ouders weten waar en in welke groep hun kind wordt opgevangen en hoe de rust en structuur voor een kind blijft gewaarborgd. Van belang is ook dat ouders weten voor welke periode groepen worden samengevoegd en hoe ervoor wordt gezorgd dat kinderen in een week niet met meer dan drie basisleidsters te maken krijgen.

Volgens de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang worden kinderen opgevangen in zogenaamde stamgroepen. Dit zijn vaste groepen van kinderen met vaste leidsters.
Het samenvoegen van groepen komt bij kinderdagverblijven of naschoolse opvang nogal eens voor. Dit kan incidenteel gebeuren omdat er bijvoorbeeld door ziekte of vakantie minder kinderen aanwezig zijn. Vaak is de mogelijkheid van het incidenteel samenvoegen van groepen opgenomen in het individuele contract van ouders. Is dit niet het geval dan kan een ondernemer verwijzen naar de laatste zin van artikel 5 van de Algemene Voorwaarden: ‘Incidentele wijzigingen in de opvang laten de overeenkomst onverlet’. De ondernemer moet natuurlijk wel altijd aan de regels omtrent groepsgrootte, kind-leidster-ratio blijven voldoen. De GGD controleert dit in de jaarlijkse inspectie.
Verder is het bij het incidenteel samenvoegen van belang dat ouders en kinderen goed worden geïnformeerd over waar en in welke groep de kinderen worden opgevangen en waar ze weer kunnen worden opgehaald.

Nadat een startende ondernemer bij burgemeester en wethouders zijn kindercentrum of gastouderbureau heeft gemeld, vindt een onderzoek plaats door de GGD. De verklaring omtrent gedrag is één van de kwaliteitsaspecten die op dat moment worden onderzocht. Bij bestaande kindercentra controleert de GGD tijdens de jaarlijkse inspectie de verklaring omtrent gedrag.

In artikel 8.4 van de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang staat beschreven dat de risico-inventarisatie veiligheid tevens een lijst behoort te bevatten van ongevallen waarbij een arts of tandarts betrokken is geweest. Bij dergelijke ongevallen moet de aard en plaats van het ongeval, de leeftijd van het kind en de datum waarop het ongeval zich heeft voorgedaan worden geregistreerd. Een onderdeel van de ongevallenlijst is een overzicht van de maatregelen die de houder naar aanleiding van elk ongeval heeft getroffen ter voorkoming van verdere ongevallen.
De ongevallenlijst is dus onderdeel van de risico-inventarisatie (die jaarlijks moet worden uitgevoerd). De risico-inventarisatie zou ergens ter inzage moeten liggen, of op aanvraag in te zien zijn. De GGD controleert bij elke inspectie de inhoud van de risico-inventarisatie en daarmee ziet zij dus ook de ongevallenlijst en bijbehorende oplossingen. Via deze weg en via de weg van de ouderinspraak (de oudercommissie heeft adviesrecht op het veiligheidsbeleid) is er ‘controle’ op de ongevallenlijst en bijbehorende risicoverminderende aanpassingen.

Kort gezegd: er zijn kindercentra die met verticale groepen (0-4 jaar) werken en kindercentra die met horizontale groepen (bijvoorbeeld 0 tot 1,5 jaar, 1,5 tot 2,5 jaar en 2,5 tot 4 jaar) werken. Sommige kindercentra werken met beide typen groepen. Beide vormen hebben hun eigen voor- en nadelen. Horizontale groepen bieden kinderen bijvoorbeeld meer leeftijdsgenootjes en voor baby’s meer rust op de groep. Verticale groepen bootsen de samenstelling van een groot gezin na: kinderen leren met kinderen van andere leeftijden om te gaan. Voor de pedagogisch medewerkers kan een verticale groep ook voor meer afwisseling zorgen. Een en ander is sterk afhankelijk van hoe het kindercentrum zijn keus voor een bepaalde groepssamenstelling heeft ingebed in het pedagogisch beleid. Bij horizontale groepen is er bijvoorbeeld vaak sprake van verhuizende kinderen: hoe zorgt het kindercentrum ervoor dat dit geleidelijk verloopt voor de betreffende kinderen. En bij een verticale groep: hoe wordt ingesprongen op de verschillende (leer/speel) behoeften van de kinderen met verschillende leeftijden?

Volgens de CAO kinderopvang is het niet de hoofdtaak van een pedagogisch medewerkster om schoon te maken: 'Verricht licht huishoudelijke werkzaamheden in de groep en draagt mede zorg voor het beheer, de aanschaf en de hygiëne en goede staat van de inventaris.'
Tijdens de opvang dienen de pedagogisch medewerksters geen grote schoonmaakwerkzaamheden te verrichten want daardoor wordt de kwaliteit van de opvang negatief beïnvloedt. Een oudercommissie kan op basis van haar adviesrecht op het algemeen kwaliteitsbeleid een (ongevraagd) advies uitbrengen om hierin een verandering te bewerkstelligen. De oudercommissie kan in haar advies bijvoorbeeld de aanstelling van een huishoudelijk medewerker of groepshulp bepleiten.
Een groepshulp kan ook bij activiteiten met de kinderen, en als hulp bij het aankleden, verschonen en tijdens eet- en drinkmomenten worden ingezet waardoor de pedagogisch medewerksters hun handen meer vrij krijgen voor andere (pedagogische) taken.