Heeft u geen antwoord gevonden op uw vraag? Kijk dan eens in de dossiers bij 'informatie' of Mail ons

Geavanceerd zoeken klik hier

Als het lidmaatschap nog redelijk nieuw is kan het kloppen dat u nog niet kan inloggen, het duurt even voor de inloggegevens van de nieuwe leden aan de website zijn gekoppeld. Inloggen doet u door bij gebruikersnaam én wachtwoord de postcode (met spatie en hoofdletters) van de locatie van de opvang in te voeren. 

 

Inspectierapporten zijn openbaar en door iedereen in te zien. Ze zijn in principe online te vinden via het Landelijk Register Kinderopvang.

Ja, op de website vind je onder 'BOinK organisatie > Diensten BOinK'  het magazine.
Om te kunnen inloggen moet de postcode van het kindercentrum als gebruikersnaam en wachtwoord worden ingevuld.

Een kindercentrum is verplicht om een oudercommissie te hebben, het lidmaatschap van BOinK is echter niet verplicht. Het kindercentrum faciliteert de oudercommissie o.a. door een lidmaatschap van BOinK. De oudercommissie wordt lid van BOinK en daarmee zijn alle ouders van het kindercentrum lid. Een organisatie geeft een oudercommissie vaak een bepaald budget per jaar dat voldoende is om de contributie van het BOinK-lidmaatschap, onkosten (briefpapier, kopieerkosten etc.), en eventueeln scholing van de oudercommissie te kunnen betalen.

Het BOinK Magazine, maar ook andere voor de oudercommissie bestemde informatie komt niet altijd direct bij elke oudercommissie terecht. Een oudercommissie die in haar kindercentrum een eigen postvak heeft, kan het ‘zwerven’ van post veelal voorkomen. Oudercommissies die elk lid van de commissie een exemplaar van het magazine willen bieden, kunnen het magazine ook downloaden van de ledensite.

Het probleem van de wachtlijsten - de chaos en soms de willekeur die daardoor ontstaat - is een veelgehoorde klacht van ouders als er meer vraag dan aanbod is. De vraag naar en aanbod van kinderopvang speelt zich af in een ‘markt’ waardoor er geen wettelijke afspraken zijn over wachtlijsten en het plaatsingsbeleid. Meestal brengen organisaties een volgorde van plaatsing aan; bijvoorbeeld eerst gaan nieuwe broertjes of zusjes voor, daarna kinderen die van dagen willen wisselen en vervolgens pas nieuwe kinderen. De wijze van toekennen van de opvangplaatsen kent daarnaast natuurlijk ook een component 'exploitatie'.
Het plaatsingsbeleid moet in tegenstelling tot de wachtlijst transparant zijn voor ouders.

De dag van de leidster is ieder jaar op de 3e donderdag van september.

Om aan het uitgangspunt van evenredige tripartiete financiering tegemoet te komen, heeft het kabinet besloten om de premieopslag die werkgevers betalen met betrekking tot de kinderopvang te verhogen en de toeslagtabel voor ouders aan te passen. Met de verhoging van de premieopslag betalen werkgevers met ingang van 2012 1/3 van de kosten en na de maatregelen in de toeslagtabel per 2013 betalen ouders ook gemiddeld 1/3 van de kosten. Vanaf dat moment is sprake van een gelijke verdeling tussen ouders, werkgevers en de overheid.

Standpunt van de minister over prijsverhogingen in de kinderopvang: ‘Het kabinet hanteert in 2011 de nullijn voor het overheidspersoneel. De kinderopvangsector wordt voor ¾ gefinancierd met overheidsgeld. Daarom is het niet meer dan redelijk dat van de sector ook een bijdrage wordt geleverd in de vorm van gematigde loonontwikkeling. Hierdoor kan de sector ook haar bijdrage leveren door dit deel van de bezuiniging te dragen, zonder de uurprijs te verhogen.’

Indien u niet werkt, kunt u toch recht hebben op een kinderopvangtoeslag. U behoort dan tot één van de speciale doelgroepen.  U behoort tot de speciale doelgroep als u een inburgeringstraject volgt, (voltijd) studeert of een uitkering ontvangt en een re-integratietraject volgt. De overheid vergoedt in dit geval alleen de overheidsbijdrage. Voor de aanvullende voorwaarden die gelden om in aanmerking te komen voor toeslag kunt u kijken op de website van de Belastingdienst - Toeslagen. Ook de gemeente of UWV betalen soms mee in de kinderopvangkosten.
 

Indien u of uw kind om sociale of medische redenen kinderopvang nodig heeft, dan krijgt u geen kinderopvangtoeslag van de overheid. U kunt misschien van de gemeente een tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvang krijgen. Vraag bij uw gemeente naar de voorwaarden.

Wettelijk is bepaald dat ouders alleen als het contract al ingegaan is en het kind oud genoeg is om naar de opvang te mogen voor toeslag in aanmerking komen.

Ja. Elk jaar wordt een kinderopvangtoeslagtabel gemaakt waarin te zien is welk percentage van de kosten van kinderopvang betaald wordt door het Rijk. De tabel voor 2012 kunt u vinden onder het kopje informatie – dossiers – actueel – bezuinigingen in de kinderopvang vanaf 2012.

Tso valt niet onder de Wet kinderopvang en komt ook niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag. Scholen zijn wel verplicht ervoor te zorgen dat kinderen tussen de middag opgevangen worden. Meer informatie kunt u vinden op de website van het ios ensac en de rijksoverheid.

De overheid stelt elk jaar vast tot welke maximum uurpijs toeslag aangevraagd kan worden. Indien de ondernemer een uurprijs boven dit maximum bedrag vraagt, betekent dit dat u als ouder alles wat hierboven komt volledig zelf dient te betalen. Deze maximum te vergoeden uurprijs is voor 2012 niet geïndexeerd en blijft gelijk aan 2011; voor de dagopvang €6,36, voor de bso €5,93 en voor gastouderopvang €5,09.

Voor de bso geldt dat 70% van de uren van de minst werkende ouder in aanmerking komt voor kinderopvangtoeslag. Voor de dagopvang geldt dat 140% van de uren van de minst werkende ouder in aanmerking komt voor kinderopvangtoeslag. Voor de gastouderopvang geldt dat de opvang voor een kind dat nog niet naar school gaat de 140% regeling geldt en voor een kind dat wel naar school gaat de 70% regeling geldt.

Op toeslagen.nl/reken/toeslagen/hoeveel.html kunt u een proefberekening maken, ieder jaar (meestal in het najaar) wordt deze calculator bijgewerkt voor het komende jaar.

 

In het geval van een pilot, gaat het om een voorgenomen besluit dat eerst ter advisering aan de oudercommissie moet worden voorgelegd. De oudercommissie heeft adviesrecht op alle voorgenomen besluiten op het gebied van de onderwerpen zoals die in de Wet in artikel 60 worden genoemd. Om een goed advies te kunnen geven is het van groot belang om de specifieke informatie te ontvangen, net zoals dat geldt indien het een definitieve wijziging in het beleid zou betreffen. De leidinggevende of directie zal informatie moeten geven over: hoe uitvoering wordt gegeven aan de pilot, de pedagogische verantwoording van het nieuwe beleid, de duur van de pilot en waarvan het afhankelijk is of de pilot als definitief beleid wordt vastgesteld. De wijziging moet met andere woorden goed doordacht zijn en kan niet zomaar een proef zijn.
In het uit te brengen advies kan de oudercommissie bijvoorbeeld voorwaarden stellen over de wijze van invoering maar ook onder welke voorwaarden de pilot eventueel als vast beleid wordt doorgevoerd. De oudercommissie kan bijvoorbeeld ook vragen om een enquête aan het einde van de pilot te houden en een goede evaluatie met de betrokkenen houden.
Ja, mits gemotiveerd. De wet Kinderopvang stelt dat het advies van de oudercommissie moet worden opgevolgd door de ondernemer tenzij hij/zij aan kan tonen dat het advies zich tegen het belang van de kinderopvang verzet. De ondernemer moet een negatief advies gemotiveerd en beargumenteerd afwijzen en aantonen dat als het advies wel zou worden gevolgd, dit dan ten koste zou gaan van de kinderopvang op het gebied van kwaliteit en/of kosten.
 

Een ondernemer ziet zich soms om exploitatie redenen genoodzaakt om op bepaalde dagen groepen samen te voegen omdat er op die dagen erg weinig kinderen aanwezig zijn. Heeft de ondernemer het voornemen om dit samenvoegen op bepaalde dagen structureel in te voeren (bijvoorbeeld elke woensdag en vrijdag) dan heeft de ondernemer de plicht om de oudercommissie om advies te vragen. In het geval dat er groepen worden samengevoegd, verandert daarmee  het pedagogisch beleidsplan waar de oudercommissie adviesrecht op heeft.
In het pedagogisch beleidsplan staat onder andere beschreven wat de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de stamgroepen is. Met het samenvoegen van groepen, veranderen de stamgroepen en het is dan ook een taak van de ondernemer om de continuïteit van de opvang voor kinderen te waarborgen. De pedagogische visie van de ondernemer hierop moet worden opgenomen in het pedagogisch beleid. Daarnaast heeft een oudercommissie natuurlijk ook adviesrecht op het algemene kwaliteitsbeleid en kan er daarom ook op letten of de kind-leidster-ratio en de opleidingseisen van de pedagogisch medewerker(s) na de samenvoeging nog voldoen aan de eisen uit de Beleidsregels. Doet een ondernemer dit niet, dan kan de oudercommissie altijd aan de GGD om een extra inspectie vragen.
Indien het adviestraject is doorlopen en de oudercommissie heeft - onder bepaalde voorwaarden - toegestemd met het samenvoegen van groepen, dan moeten  de ouders tijdig (rekening houdend met de opzegtermijn) worden geïnformeerd over het besluit. De ondernemer heeft  wettelijk een informatieplicht naar alle ouders over het te voeren beleid.

 

 

Nee, de besluiten van de Centrale Oudercommissie zijn niet overkoepelend als niet alle oudercommissies hun adviesrecht - op bijvoorbeeld de prijswijziging - hebben gemandateerd.
De Wet kinderopvang bepaalt namelijk dat de oudercommissie op locatie het adviesrecht heeft op bijvoorbeeld prijswijzigingen. Als een oudercommissie dat adviesrecht niet heeft gemandateerd, dan heeft de ondernemer de plicht om afzonderlijk advies te vragen en ook afzonderlijk schriftelijk te reageren op het advies van deze oudercommissie.

Nee, een oudercommissie heeft geen adviesrecht op het personeelsbeleid. Een oudercommissie kan natuurlijk altijd suggesties over het personeelsbeleid doen zolang dat door de organisatie wordt gewaardeerd maar ze moet er voor waken dat ze teveel op de stoel van de ondernemer gaat zitten.
De oudercommissie heeft wel adviesrecht op het algemeen kwaliteitsbeleid en het pedagogisch beleid. Een oudercommissie heeft de taak om het functioneren van de pedagogisch medewerk(st)ers te bespreken als blijkt dat  het functioneren invloed heeft op (onderdelen van) dit algemeen kwaliteitsbeleid of pedagogisch beleid. Bijvoorbeeld als een oudercommissie veel klachten krijgt over een pedagogisch medewerk(st)er - meestal doen ouders echter hun beklag hierover bij de vestigingsmanager - of als er een sterk wisselende personele bezetting op de groep is.

Ja, de Wet kinderopvang bepaalt in artikel 60.1c dat een oudercommissie adviesrecht op voedingsaangelegenheden heeft. Een oudercommissie mag ook ongevraagd adviseren over voedingsaangelegenheden; zie Wet kinderopvang artikel 60.3
Met andere woorden: als de oudercommissie het bijvoorbeeld met bepaalde aspecten van de voeding voor baby's niet eens is, dan kan ze altijd schriftelijk een ongevraagd advies aan de leiding van het kinderdagverblijf uitbrengen. De houder hoeft zich van een dergelijk ongevraagd advies in principe niets aan te trekken noch dat te motiveren. Tenzij de verhoudingen tussen houder en oudercommissie ernstig zijn verstoord, zal de houder in de praktijk het ongevraagde advies overnemen, in gesprek gaan met de oudercommissie en trachten een compromis te sluiten, of aangeven waarom hij niets ziet in het (ongevraagde) advies van de oudercommissie.

Een centrale oudercommissie is een praktische werkvorm en heeft geen wettelijke basis. Het kan voor de houder en oudercommissies soms handiger zijn om een centrale oudercommissie op te richten. Echter, een oudercommissie bepaalt haar eigen werkwijze. Een houder kan dus niet alleen besluiten tot de oprichting van een centrale oudercommissie.

Ja, de mogelijkheid bestaat om het vertrouwen in een oudercommissielid op te zeggen en het betreffende oudercommissielid te ontslaan uit de oudercommissie. In het voorbeeld- medezeggenschapsreglement (Art. 4 .7) en voorbeeld- huishoudelijk reglement (Art. 6) staat beschreven waar je hierbij op moet letten.
 

Nee, omdat de TSO (nog) niet onder de Wet kinderopvang valt, geldt dat de oudercommissie geen adviesrecht heeft op de prijs van de TSO. Ook niet als een kinderopvangorganisatie de TSO organiseert.
 

Een kinderopvangorganisatie moet verantwoorde kinderopvang bieden: opvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving. Een kinderopvangorganisatie heeft daarom de plicht om op elke vestiging een Risico Inventarisatie Veiligheid en Gezondheid uit te voeren. Indien het op een kindercentrum te warm (of te koud) is, moet dit worden opgenomen in de R.I. Gezondheid. De oudercommissie heeft adviesrecht op de RI Veiligheid en Gezondheid. De oudercommissie kan dan ook bij het management aankaarten dat het te warm is in het kindercentrum en vragen naar de mogelijke oplossingen. Ook de GGD controleert de aanwezigheid en inhoud van de RI Gezondheid.

Ja, oudercommissies hebben volgens de Wet Kinderopvang adviesrecht op het algemene veiligheidsbeleid en op de kwaliteit van de opvang. Een registratie van ongevallen valt onder het veiligheidsbeleid en wordt opgenomen in de risico-inventarisatie. De aard en plaats van het ongeval, de leeftijd van het kind, de datum van het ongeval en een overzicht van te treffen maatregelen moeten worden vermeld. Verder is een overzicht van ongevallen een belangrijke graadmeter voor (het verbeteren van) de kwaliteit van de kinderopvang. Om gebruik te kunnen maken van het adviesrecht moet een oudercommissie dus zicht hebben op de ongevallenregistratie.

De afspraken tussen oudercommissie en centrale oudercommissie kunnen worden vastgelegd in een mandaatformulier dat als bijlage bij de bestaande medezeggenschapsreglementen kan worden gevoegd. Momenteel is een (voorbeeld) mandaatregeling opgenomen in de modelreglementen van BOinK en de ondernemersverenigingen MOgroep en BKN (inmiddels gefuseerd tot Brancheorganisatie Kinderopvang) maar intussen is vastgesteld dat (en de GGD controleert hier ook op) mandaatafspraken niet thuishoren in het medezeggenschapsreglement zelf. BOinK is in overleg met de brancheverenigingen, bezig met een verbeterde versie van het modelreglement. Het staat de oudercommissie vrij om de onderwerpen en de voorwaarden waaronder gemandateerd wordt, te veranderen en te allen tijde mandaten in te trekken.

Alle adviesrechten liggen volgens de Wet Kinderopvang bij de oudercommissie op de vestiging. Aangezien een oudercommissie zelf haar werkwijze mag bepalen (Art. 58 lid 4 Wk) kan zij ervoor kiezen om (een aantal) onderwerpen te mandateren (volmachtigen) naar een centrale oudercommissie. Elke oudercommissie is dus vrij in het bepalen òf en zo ja welke onderwerpen zij wil mandateren. Voor de werkbaarheid van een centrale oudercommissie is het natuurlijk wel erg handig als de gemandateerde onderwerpen van de diverse lokale oudercommissies enigszins overeenkomt. Het is daarom aan te bevelen om een gezamenlijke avond te organiseren waarbij zowel de oudercommissies als de centrale oudercommissie aanwezig zijn.

Nee, oudercommissies hebben onder de Wet kinderopvang geen direct adviesrecht op het onderwerp verhuizing. Echter, er zijn vaak zaken die door de verhuizing zullen veranderen en die wel onder één van de adviesonderwerpen vallen. Te denken valt aan:

  • Pedagogisch beleid; een wijziging van de groepsindeling is bijvoorbeeld een wijziging van het pedagogisch beleid. Is de inrichting van de ruimte geschikt voor de leeftijdscategorie van de op te vangen kinderen?
  • Veiligheid; voordat een nieuwe locatie in gebruik wordt genomen moet een risico-inventarisatie gemaakt worden

Ja, dat mag. Het staat een oudercommissie vrij om geen mandaat aan de centrale oudercommissie te geven want de Wet kinderopang bepaalt dat de oudercommissie het adviesrecht heeft.

Vanaf 1 januari 2012 komen de voorbereidingsuren van de bso niet meer in aanmerking voor kinderopvangtoeslag. Ze mogen wel doorberekend worden aan de ouders, maar het moet duidelijk zijn voor ouders (en de Belastingdienst) welke uren wel of niet in aanmerking komen voor toeslag. Per 2013 is de minister voornemens wettelijk vast te leggen dat een overeenkomst tussen ouders en kindercentrum geen verplichting tot betaling meer mag bevatten voor uren die ouders niet af kunnen nemen, zoals het geval is wanneer de opvang gesloten is of wanneer onderwijs wordt gegeven.

Het aantal uren dat de kinderopvangorganisatie aan u in rekening brengt, is vastgelegd in uw contract. De afspraken hierover kunnen per kindercentrum verschillen. Het kindercentrum moet wel open zijn in de uren die u betaalt, met uitzondering van feestdagen en een enkele studiedag. Het kindercentrum bepaalt of ze een contract inclusief of exclusief vakantieopvang wil aanbieden. Kortom, voor welke dienstverlening ze kiest.

Sinds 1 augustus 2007 moeten scholen (onafhankelijk van de vraag van ouders) de samenwerking met één of meer kinderopvangorganisaties geregeld hebben (makelaarsmodel) of zelf buitenschoolse opvang aanbieden.
Ouders die gebruik willen maken van de voor- en naschoolse opvang maken hun wensen kenbaar aan de school. Ook afhankelijk van de mogelijkheden van een school, doet de school een voorstel dat zo nauw mogelijk aansluit bij de wensen van (de meerderheid van) ouders die om de opvang vragen. De ouders en de medezeggenschapsraad dienen betrokken te worden. Elke school kan dus zelf, in samenspraak met de ouders, bepalen hoe de opvang wordt geregeld. Daarbij kan gekozen worden om de opvang uit te besteden of om het zelf te doen door een apart rechtspersoon op te richten, die moet voldoen aan de eisen die de Wet kinderopvang daaraan stelt.
 

Meer informatie over de samenwerking tussen kinderopvang en scholen kunt u vinden op www.werkgroeponderwijskinderopvang.nl van de Werkgroep Onderwijs Kinderopvang.

Nee, voor basisscholen zijn (nog) geen officiële richtlijnen op dit gebied.
In het geval dat kinderen op een speelplein teveel blootgesteld worden aan zon, zal in de risico-inventarisatie moeten worden opgenomen welke maatregelen worden genomen om dit risico te verminderen of te vermijden. Voor de BSO is de plaatselijke GGD de instantie die toezicht houdt op de uitvoering van de risico inventarisatie. De oudercommissie kan ook een (ongevraagd) advies uitbrengen over dit onderwerp.
In artikel 49 lid 1 van de Wet kinderopvang staat namelijk dat een houder van een kindercentrum verantwoorde kinderopvang biedt waaronder wordt verstaan opvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving. In artikel 51 van de Wet kinderopvang staat verder dat een houder een beleid voert dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen in elk door hem geëxploiteerd kindercentrum zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder legt, voor zover hierin niet wordt voorzien bij of krachtens andere wet- en regelgeving, in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico's de opvang kinderen met zich brengt.

Een kinderopvangorganisatie mag alleen de uren rekenen die ze daadwerkelijk open is en er kinderen opgevangen worden. Het gebeurt wel eens dat een BSO eerder open is dan dat ouders gebruik maken van opvang, bijvoorbeeld wanneer de ene school die gebruikt maakt van de betreffende BSO om half drie uit is en de andere school om drie uur. De BSO is dan open vanaf half drie tot zes uur en mag alle ouders (dus ook de ouders die pas vanaf drie uur gebruik maken) dan drieëneenhalf uur in rekening brengen. Dit is natuurlijk niet ideaal omdat er op deze manier meer uren in rekening worden gebracht dan dat er feitelijk afgenomen worden, maar het mag en het gebeurt in de praktijk. Voorbereidingstijd mag echter niet in rekening gebracht worden. De Geschillencommissie heeft in het verleden een uitspraak gedaan over de openingstijden van een BSO en de uren die in rekening werden gebracht aan ouders. In de uitspraak staat het volgende: 'Betreffende de klacht dat de ondernemer uren in rekening brengt waarvan de consument geen gebruik kan en mag maken omdat deze binnen de verplichte schooluren vallen is de commissie van oordeel dat slechts het aantal uren in rekening gebracht mag worden dat de betreffende BSO locatie daadwerkelijk is geopend en daar daadwerkelijk kinderen kunnen worden opgevangen.' Aan deze uitspraak is helaas geen jurisprudentie te ontlenen, wat betekent dat de uitspraak niet automatisch geldt voor alle ouders.

Ja, Staatssecretaris De Jager heeft in 2009 in een brief aan de kamer laten weten dat personenvervoer als nevenactiviteit, bijvoorbeeld bij kinderopvang, wordt uitgezonderd van de taxivergunningplicht. 
 

Uit de brief van de staatssecretaris d.d. 25 november 2009:
Personenvervoer als nevenactiviteit.

Personenvervoer in het kader van kinderopvang (kinderdagverblijven en buitenschoolse opvang) alsook buitensportactiviteiten, is aan te merken als "nevenactiviteit". Dit vervoer vormt integraal onderdeel van andere dienstverlening. Deze andere diensten (opvang, buitensport) staan voorop; voor het vervoer in dit verband wordt in beginsel niet afzonderlijk betaald. In deze opzichten verschilt dit vervoer van taxivervoer in enge zin.
Uitgangspunt van het nieuwe taxibeleid is dat wettelijke kwaliteitseisen alleen gesteld worden als het publieke belang van een goed functionerende taximarkt dit vereist. Bij de kinderopvang en buitensportondernemingen is al sprake van een integrale zorgverplichting ten aanzien van de veiligheid, derhalve ook voor het vervoer. Taxiregelgeving heeft hier weinig of geen toegevoegde waarde.
Vervoer in het kader van kinderopvang was voorheen altijd uitgezonderd in het kader van leerlingenvervoer. Met de komst van de Wet Kinderopvang in 2005 is de uitzondering onbedoeld niet meer van toepassing. Met de nieuwe taxiregelgeving wordt dit onbedoelde effect gerepareerd. Een andere overweging om genoemde vormen van personenvervoer expliciet buiten de taxiregelgeving te plaatsen is dat consequente toepassing en handhaving hiervan voor deze vervoersvormen tot ongewenste kosteneffecten leidt. Het buiten de taxiregelgeving houden betekent vermindering van administratieve lastendruk voor betrokken sectoren. Op basis van het uitgevoerde onderzoek en gesprekken met brancheorganisaties is de inschatting dat kinderopvang- en buitensportbedrijven die taxivervoer inschakelen hiervan ook in de nieuwe situatie gebruik zullen blijven maken. De huidige vraag voor taxibedrijven wordt naar verwachting dus niet kleiner.

 

Er is helaas niets wettelijk vastgelegd over het vervoer van en naar de BSO. Als de kinderopvangorganisatie of de school geen vervoer organiseren dan zijn ouders daarvoor automatisch verantwoordelijk. Als een organisatie of de school ervoor kiest vervoer te regelen dan zijn ze ook aansprakelijk. De kinderen moeten dan op een verantwoorde manier worden vervoerd.

In het contract dat ouders met het kinderdagverblijf afsluiten, is o.a. vastgelegd wat de openingstijden zijn. Als het kinderdagverblijf eenmalig eerder wil sluiten, bijvoorbeeld op Sinterklaasavond, dan kan ze het beste hierover overleggen met de oudercommissie. De oudercommissie kan aan de ándere ouders vragen of ze op die dag behoefte hebben aan opvang tot het gebruikelijke sluitingsmoment of niet. Afhankelijk van de uitkomst van die inventarisatie kan het kinderdagverblijf de personele bezetting bepalen en al dan niet eerder sluiten. Voorwaarde is wel dat de sluiting ruim van te voren bekend wordt gemaakt aan de ouders. Ook zou een compensatie netjes zijn.

Ja, als er op een kindercentrum een plek vrij komt op een groep wordt er naar de wachtlijst gekeken. Het kan zijn dat een ondernemer de plek dan aanbiedt aan een ouder die bovenaan staat, maar die pas over enkele maanden opvang nodig heeft. Er wordt dan aangeboden dat de plek voor de ouder wordt vastgehouden tegen een percentage van de totaalprijs. Over deze kosten kan geen toeslag aangevraagd worden. BOinK is geen voorstander van deze werkwijze, aangezien er in deze ‘reserveringsperiode’ geen gebruik gemaakt kan worden van de plek en omdat deze regeling niet voor alle ouders financieel haalbaar is.

 

Ja, als er op een kindercentrum een plek vrij komt op een groep wordt er naar de wachtlijst gekeken. Het kan zijn dat een ondernemer de plek dan aanbiedt aan een ouder die bovenaan staat, maar die pas over enkele maanden opvang nodig heeft. Vaak wordt er aangegeven door ondernemers dat als ouders deze optie weigeren er niet met zekerheid gezegd kan worden of er dan wel plek is vanaf de gewenste startdatum. Ouders moeten zelf deze inschatting maken.

 

Zodra er een ondertekend contract is waarvan de ingangsdatum in de toekomst ligt, kan er geannuleerd worden. Kinderopvangorganisaties rekenen hiervoor vaak kosten.
In de Algemene Voorwaarden staat dat de hoogte van de annuleringskosten nooit meer bedraagt dan de verschuldigde betaling voor twee maanden. Verder is er in opgenomen dat de ondernemer bij het doen van het aanbod de consument moet informeren over de te volgen procedure en de hoogte van de annuleringskosten.
Het feit dat er dus kosten gerekend zullen worden bij annuleren moet dus van tevoren gecommuniceerd zijn aan de ouders.

Indien de Algemene Voorwaarden gelden bij uw contract dan hoeft dat niet. Hierin staat namelijk in artikel 7.1: ‘De overeenkomst van dagopvang van 0-4 jarigen duurt tot de vierde verjaardag van het kind'. Normaliter is dit het moment dat een kind naar de basisschool gaat. Indien uw kind op zijn/haar vierde verjaardag (om welke reden dan ook) nog niet naar de basisschool gaat en u wil de dagopvang voortzetten, dient u nieuwe afspraken te maken met de aanbieder van de dagopvang.
 

In de landelijke Algemene Voorwaarden zijn in artikel 10 bepalingen opgenomen over annuleren. Vanaf het moment van ondertekening van de overeenkomst tot de ingangsdatum van de overeenkomst heeft de consument de mogelijkheid de overeenkomst te annuleren. Voor het annuleren geldt geen opzegtermijn. Er zijn wel (vaak) annuleringskosten verschuldigd. De hoogte van de annuleringskosten bedraagt nooit meer dan de verschuldigde betaling voor twee maanden volgens de landelijke Algemene Voorwaarden. De ondernemer moet bij het doen van het aanbod de consument informeren over de te volgen procedure en de hoogte van de annuleringskosten.
Er is sprake van opzegging vanaf het moment dat het contract is ingegaan. In de landelijke Algemene Voorwaarden is opgenomen dat opzeggen in ieder geval mogelijk is per de eerste dan wel de zestiende van de maand en dat er een opzegtermijn van maximaal twee maanden geldt.

Nee, dit mag niet. Het al dan niet - of op andere momenten - laten vaccineren van kinderen, is een vrije keuze van ouders. Dit is een Grondwettelijk recht.

Kinderopvangorganisaties kiezen steeds vaker voor betaling per automatische incasso. Op deze manier worden betalingsproblemen voorkomen.
In augustus 2009 oordeelde een rechter in Haarlem echter dat een onderneming in een andere sector geen extra kosten voor het gebruik van een acceptgiro mocht rekenen, omdat het bedrijf slechts twee betaalmogelijkheden aanbood, automatische incasso en acceptgiro. De rechter noemde het ,,onredelijk bezwarend'' dat er kosten worden berekend voor een betaalmogelijkheid, als er sprake is van slechts twee manieren om te betalen. ,,Daarmee dwing je een klant tot het gebruik van de andere methode en dat is onredelijk''.
Op basis van deze uitspraak zijn de Consumentenbond en BOinK van mening dat ouders niet gedwongen kunnen worden tot een automatische incasso. Er moeten voor ouders alternatieven zijn waar in ieder geval geen hoge kosten aan zijn verbonden.

In uw contract is vastgelegd wat de opvanglocatie met bijbehorend adres is. Indien de organisatie uw kind op een andere locatie wil plaatsen, behoort de organisatie een nieuw contract te sturen met de vraag of u het met deze wijziging eens bent. Wijzigingen in contracten mogen namelijk niet eenzijdig worden aangebracht. Indien u het niet eens bent met de wijziging, kunt u dit aangeven bij de organisatie en bij de oudercommissie. De oudercommissie kan de mening van de andere ouders peilen en indien nodig met de kinderopvangorganisatie over alternatieven overleggen.
Wellicht is de oudercommissie al eerder betrokken geweest bij het voorgenomen besluit om te verhuizen. De oudercommissie heeft namelijk adviesrecht bij wijzigingen op bepaalde beleidsonderdelen.
Wordt het contract toch eenzijdig gewijzigd? De Geschillencommissie doet bindende uitspraken over contractaangelegenheden.
Individuele ouders hebben alleen toegang tot deze Geschillencommissie indien de kinderopvangorganisatie is aangesloten bij de Brancheorganisatie Kinderopvang.

Sinds 1 januari 2005 hebben vele ouders te maken met de Algemene Voorwaarden in de kinderopvang. Wanneer ouders menen dat de ondernemer niet voldoet aan die voorwaarden, bespreken ze eerst het meningsverschil met de ondernemer. Zodra er geen overeenstemming kan worden bereikt, ontstaat en geschil. De Algemene Voorwaarden voorzien in een landelijke geschillencommissie. Ouders kunnen hun geschil voorleggen aan deze commissie. Een uitspraak van de Geschillencommissie is bindend.

Een kinderopvangorganisatie is verplicht om bij het aanbieden van een contract duidelijkheid te geven over de sluitingsdagen (feestdagen, studiedagen en/of vakantiedagen) en hoe hiermee bij de betaling wordt omgegaan.
BOinK meent dat ouders moeten betalen voor de uren die ze daadwerkelijk af kunnen nemen. In het geval van feestdagen zien wij ook een keerzijde. Dit fenomeen werkt namelijk ook op andere gebieden, zoals werk; je hebt geluk als je op maandag en donderdag werkt omdat je dan meer vrije dagen hebt dan collega's. Daarnaast zijn ouders ook op feestdagen vaak vrij waardoor er geen vervangende kinderopvang hoeft te worden gezocht. Omdat de pedagogisch medewerkers op de feestdagen (sluitingsdagen) gewoon doorbetaald worden, heeft de organisatie wel degelijk kosten.
Ingeval van sluitingsdagen die niet op een landelijke feestdag vallen, waardoor alle ouders vrij moeten nemen of voor vervangende opvang moeten zorgen, is het netjes van een ondernemer om bijvoorbeeld een ruildag te bieden. Individuele ouders kunnen bezwaar maken tegen een sluitingsdag. De Geschillencommissie heeft eerder een uitspraak gedaan (die echter alleen bindend is voor de ouder die dit geschil heeft ingediend) dat twee studiedagen, of sluitingsdagen zonder dat het om feestdagen gaat, redelijk kan worden genoemd. Ouders betalen in zo’n geval gewoon door.
De oudercommissie kan haar adviesrecht op ‘openingstijden’ gebruiken om tot een goede regeling met de kinderopvangorganisatie te komen.
Per 2013 is de minister voornemens wettelijk vast te leggen dat een overeenkomst tussen ouders en kindercentrum geen verplichting tot betaling meer mag bevatten voor uren die ouders niet af kunnen nemen, zoals het geval is wanneer de opvang gesloten is of wanneer onderwijs wordt gegeven.

Nee, de Algemene Voorwaarden zijn uitsluitend van toepassing op dagopvang en buitenschoolse opvang. Ouders die gebruik gaan maken van gastouderopvang adviseren we om het contract goed te lezen voordat ze het contract ondertekenen. Bij twijfel kunnen ouders juridisch advies inwinnen bij het Juridisch Loket (zie voor adressen www.juridischloket.nl) of hun rechtsbijstandverzekeraar raadplegen.

BOinK hoort vaker dat gastouderbureaus proberen te voorkomen dat gastouders overstappen naar een ander bureau en ouders hiermee naartoe nemen. Gastouders werken soms immers ook voor meerdere gastouderbureaus. Een boeteclausule opnemen mag, maar moet wel redelijk zijn.

Voordat een contract ondertekend wordt, is het daarom bijvoorbeeld aan te raden om bijvoorbeeld rechtsbijstand te benaderen.

Ja dit kan, maar men heeft alleen recht op toeslag wanneer de gastouder (in dit geval grootouders) voldoet aan de wettelijke eisen.

Er zijn geen regels hieromtrent. Het is echter mogelijk dat een gastouderbureau af te nemen uren per dag/dagdeel factureert. Een voorwaarde hierbij is dat deze uren wel af te nemen moeten zijn. Het is dus niet de bedoeling dat ouders betalen voor uren die ze helemaal niet kunnen afnemen.
Ook kan het zijn dat een gastouderbureau een minimum aantal uren per maand verplicht stelt omdat dit in het pedagogisch beleid staat opgenomen.

 

Ja, dit mag. Er is in augustus een motie aangenomen die de eis dat gastouders nog maar op één locatie mogen opvangen heeft geschrapt. Gastouders mogen weer op meer dan één adres werken.

In de wet Financieel Toezicht is bepaald dat het bedrag dat voor de gastouder is bestemd binnen vijf kalenderdagen van de bankrekening van de houder op de bankrekening van de gastouder moet staan. De Nederlandsche Bank houdt hierop toezicht. Een gastouderbureau mag dus niet het geld van ouders even ‘bewaren’ voor ze het uitbetalen aan de gastouder.

De kassiersfunctie van gastouderbureaus brengt niet automatisch met zich mee dat de kinderopvangtoeslag rechtstreeks aan het gastouderbureau overgemaakt moet worden. Wanneer ouders gebruik maken van verschillende soorten opvang bij verschillende kinderopvangorganisaties is het gecompliceerder om de toeslag rechtstreeks naar een kinderopvangorganisatie te laten overmaken. Bovendien is het zo dat ouders altijd zelf verantwoordelijk zijn voor de kinderopvangtoeslag die ze aanvragen. Ook wanneer de toeslag via het gastouderbureau loopt moeten ouders dus goed in de gaten blijven houden dat de Belastingdienst de hoogte van de toeslag baseert op de meest recente en juiste gegevens. BOinK is van mening dat het een keuze van ouders moet zijn om de toeslag rechtstreeks te laten overmaken naar de betreffende kinderopvangorganisatie.

 

Ja, medewerkers van het bewuste kindercentrum mogen geen plaats nemen in de oudercommissie. Als een partner van een pedagogisch medewerker of een pedagogisch medewerker van een andere organisatie zich aanmeldt voor de oudercommissie moet de zittende oudercommissie afwegen of er door dit lidmaatschap geen belangenverstrengeling zal optreden.

 

In de praktijk vaardigen oudercommissies vaak iemand uit hun midden af naar een centrale oudercommissie. Een dergelijke afvaardiging bevordert de continuïteit in de centrale oudercommissie niet. Iemand 'verplichten' om naast het OC-lidmaatschap ook nog lid te zijn van de centrale oudercommissie is een extra belasting van mensen die arbeid en zorg combineren.
Daarbij komt dat er sowieso al druk ontstaat door het feit dat een oudercommissie iemand moet afvaardigen omdat anders hun vestiging niet vertegenwoordigd is.
Om de continuïteit in de centrale oudercommissie te bevorderen kan er ook voor gekozen worden om ouders uitsluitend lid te laten worden van de centrale oudercommissie. Het gaat er per slot van rekening om dat er ouders in de centrale oudercommissie zitting hebben die een overall blik hebben en het niet zozeer gaat om het vertegenwoordigen van een locatie.

Nee, als ouders signalen afgeven bij de oudercommissie, kan de oudercommissie altijd checken of de desbetreffende ouder in de organisatie al over het 'signaal' of 'klacht' heeft gesproken. Zo niet, dan kan de oudercommissie vragen om het signaal of klacht ook bij de organisatie neer te leggen.
Een oudercommissie is niet verplicht om ‘klachten’ anoniem aan de directie door te geven want dat schaadt de band tussen ouders en oudercommissie. Daarnaast zijn ‘klachten’ vaak relatief eenvoudig te koppelen aan individuele ouders.Een oudercommissie is de vertegenwoordiger van alle ouders in het kindercentrum. Om haar werk goed te kunnen doen moet de oudercommissie weten wat er onder de ouders leeft. Het is voor een oudercommissie van groot belang dat ouders haar weten te vinden en dat signalen en/of klachten bij haar terecht komen. Vooral signalen en klachten die een structureel karakter hebben of voor een grote groep ouders (kinderen) geldt.

Ouders komen soms met hele specifieke vragen over hun individuele situatie bij de oudercommissie. Een oudercommissie zal vragen wat ouders zelf al voor actie hebben ondernomen in de organisatie. Hebben ze al gesproken met de desbetreffende pedagogisch medewerkster ? Of met de vestigingsmanager? Is in die contacten al uitzicht gegeven op verbeteringen of oplossingen? De oudercommissie is geen belangenbehartiger van een individuele ouder. De oudercommissie probeert er wél voor te zorgen dat de belangen van een groep ouders zo goed mogelijk behartigd worden. De situatie die zich voordoet bij één ouder zou ook bij meerdere ouders zich kunnen voordoen. Dan is een dergelijk contact voor de oudercommissie vooral een signaal. Een signaal waarmee de oudercommissie aan de slag zal moeten gaan. Maar ongeacht de vraag, moeten ouders altijd een antwoord en/of advies van de oudercommissie krijgen.

Sinds de Wet kinderopvang (2005) zijn ouders een partij in de markt. Als marktpartij kunnen ouders zich ook laten gelden. Ouders willen natuurlijk graag weten welk ‘product’ een toekomstige aanbieder zal bieden. Het is belangrijk dat de oudercommissie wordt betrokken in het overname- of fusietraject en inzicht krijgt in de (verandering in) medezeggenschapsstructuur, pedagogisch beleid, kwaliteitsbeleid en algemeen beleid op het gebied van gezondheid en veiligheid. Indien nodig wordt aan de oudercommissie om advies gevraagd als zich wijzigingen in het toekomstig beleid op die beleidsonderdelen voordoen. 

De Wet kinderopvang bepaalt dat de GGD kindercentra inspecteert.
Een vast onderdeel van de inspectie is dat de oudercommissie een vragenlijst invult. Daar kan de oudercommissie al het een en ander kwijt. Als een oudercommissie ontevreden is over de kwaliteit van het kindercentrum dan kan ze altijd met de GGD-inspecteur telefonisch contact opnemen. In zo'n telefoongesprek kan een oudercommissie signalen afgeven over situaties die haar zorgen baren. De GGD-inspecteur kan bij zijn inspectie dan extra aandacht besteden aan die punten die de oudercommissie heeft aangedragen of een extra inspectie inlassen. Als het inspectierapport is verschenen dan kan de oudercommissie op basis van dat rapport over de verbeterpunten in gesprek gaan met de leiding van het kindercentrum.

Een oudercommissie vertegenwoordigt alle ouders en daarom zijn de gegevens van de achterban van essentieel belang om hen zowel te informeren over de taken en vorderingen van de oudercommissie als hen om hun mening te vragen bij bepaalde adviesaanvragen. De organisatie geeft deze gegevens echter niet zomaar om de privacy van de ouders te waarborgen. Een oudercommissie kan daarom bijvoorbeeld in een nieuwsbrief vragen of ouders er bezwaar tegen hebben dat hun gegevens door de organisatie worden verstrekt of dat ze zelf hun gegevens willen verstrekken aan de oudercommissie.

Het aantal ouders dat deel uit maakt van de oudercommissie, is vastgelegd in het reglement van de oudercommissie. In het voorbeeldreglement dat in de hele kinderopvangsector als voorbeeld wordt gebruikt, staat dat de oudercommissie uit minimaal drie en maximaal zeven leden bestaat. Mochten er meer dan zeven ouders geïnteresseerd zijn, dan kan de oudercommissie er voor kiezen om deze ouders specifiek in te zetten op hun deskundigheid of interesse door deze ‘extra’ ouders deel te laten nemen aan diverse werkgroepen van de oudercommissie, bijvoorbeeld in de werkgroep die een advies voorbereidt over een wijziging in het pedagogisch beleid, of lid te laten worden van een commissie die de kwaliteit van de buitenspeelruimte verbetert of in een werkgroep die een digitale nieuwsbrief maakt. Het is erg jammer als betrokken ouders niet ingezet worden.

Ondernemers zijn verplicht sinds januari 2009 het lidmaatschap bij de Klachtenkamer regelen. Ondernemers hebben volgens artikel 60 a van de Wet kinderopvang de plicht om oudercommissies de mogelijkheid te bieden om naar een klachteninstantie voor oudercommissies te stappen. Het lidmaatschapsgeld van de klachtenkamer wordt door de ondernemer betaald en behoort ook niet van het budget van de oudercommissie af te gaan.

Oudercommissies hebben op basis van de Wet kinderopvang een stevige rol te vervullen. Het is een eerste vereiste dat een oudercommissie weet wat haar te doen staat. In de praktijk blijkt dat het verloop in oudercommissies vaak groot is. Gedeeltelijk is dat onvermijdelijk omdat in bijvoorbeeld de dagopvang ouders per kind maar maximaal 4 jaar gebruik maken van een kinderdagverblijf en ook niet altijd vanaf de start van de opvang zitting nemen in de oudercommissie. Maar daarnaast is het verloop ook vaak het gevolg van moeizaam functioneren omdat oudercommissies geen heldere en effectieve werkwijze hanteren. Het maken van een werkplan kan sterk bijdragen aan verbeteringen hierin. Het geeft richting aan het werk en het schept duidelijkheid voor de oudercommissie, de vestigingsmanager, de directie en ouders in het kindercentrum. Daarnaast legt het een basis voor een goede planning en taakverdeling binnen de oudercommissie. De oudercommissie zorgt ervoor dat het werkplan voldoende ruime bevat om op onverwachte onderwerpen, soepel te kunnen anticiperen. De oudercommissie maakt jaarlijks een werplan om op die manier vat te krijgen en te houden op haar werkzaamheden.

Een oudercommissie heeft als belangrijkste taak het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de opvang. Dat kan ze doen door gevraagd en ongevraagd adviezen aan de vestigingsmanager of directie uit te brengen op basis van haar wettelijke adviesrechten. 
In grote organisaties kunnen oudercommissies vanuit efficiëntie overwegingen ervoor kiezen om bepaalde (zelfgekozen) adviesrechten over te dragen aan een (op te richten) centrale oudercommissie. Deze centrale oudercommissie is niet in de Wet kinderopvang beschreven, maar ouders kunnen dan op centraal niveau gemakkelijker overleggen en afspraken maken met de kinderopvangorganisatie. 
Omdat een oudercommissie de vertegenwoordiger van de andere ouders in het kindercentrum is, dient ze hen op de hoogte te houden van haar werkzaamheden en zelf ook op de hoogte te blijven van wat er onder de ouders speelt. Het regelmatig uitbrengen van een nieuwsbrief en het organiseren van één of meerdere ouderavonden zijn goede manieren om in contact te blijven met de ouders in het kindercentrum.  

Nee, het interview met (een lid van) de oudercommissie mag tijdens de jaarlijkse inspectie van het kindercentrum, niet ontbreken.
BOinK adviseert oudercommissies zich vooral actief op te stellen. De oudercommissie kan bijvoorbeeld vragen wanneer de inspectie staat gepland. Voorafgaand aan de inspectie kan de oudercommissie ook al een e-mail sturen met daarin de onderwerpen waarop volgens de oc extra gelet moet worden. Is er echter sprake van een ingewikkelde kwestie dan kan het noodzakelijk zijn dat de oudercommissie en de GGD-inspecteur een afspraak maken om elkaar persoonlijk te spreken. 

 
In het geval dat het management altijd de notulen wil inzien voor ze verspreid worden, kan er sprake zijn van wantrouwen richting de oudercommissie. Een voorwaarde voor het overleg tussen oudercommissie en (vestigings-)manager is dat er onderling vertrouwen bestaat en dat beiden hetzelfde doel nastreven, namelijk kwalitatief goede kinderopvang. De oudercommissie kan daarom aan het management duidelijk maken dat ze het beste voor heeft met de organisatie maar dat ze wel graag haar taak als oudervertegenwoordiging goed uit wil oefenen. Een goed gesprek met het management hierover is in dit geval aan te bevelen. Leg de afspraken vast in het eigen huishoudelijk reglement. NB: De oudercommissie bepaalt zelf haar werkwijze (Wet kinderopvang, artikel 58.4).
 
Een oudercommissie mag notulen verspreiden naar de andere ouders, tenzij er een onderwerp in staat waar de oudercommissie geheimhoudingsplicht over heeft. De oudercommissie vertegenwoordigt de ouders en zij hebben er recht op te weten wat er is besproken en wat er speelt. In het voorbeeld reglement van de oudercommissie staat in artikel 10f dat de oudercommissie zorgt voor goede en heldere informatieverstrekking aan de ouders over de activiteiten van de oudercommissie.In artikel 2 van het voorbeeld huishoudelijk reglement staat dat de secretaris de notulen opstelt en verspreidt onder de leden. En artikel 4d stelt dat de goedgekeurde notulen voor iedereen op aanvraag verkrijgbaar zijn en op een duidelijk zichtbare, centrale plaats ter inzage worden gelegd. Indien over een onderwerp door de oudercommissie en het management verschillend wordt gedacht, is het aan te bevelen om beide gezichtspunten of standpunten in de notulen op te nemen.

Nee, leidinggevenden en pedagogisch medewerkers mogen geen zitting hebben in de oudercommissie.
In de Wet Kinderopvang staat (artikel 58.2) dat uitsluitend ouders lid kunnen zijn van een oudercommissie. Bij de samenstelling van de oudercommissie wordt gestreefd naar een zo evenredig mogelijke vertegenwoordiging van de groepen op het kindercentrum. Het is verder aan te bevelen te streven naar een oneven aantal leden. Dit voorkomt het staken van stemmen.

Ja, de oudercommissie is een zelfstandig functionerend orgaan in het kindercentrum, bij vergaderingen hoeft geen afgevaardigde vanuit de kinderopvang te zijn.  Het overleg met de leidinggevende is een vervolg op het interne OC-overleg. In artikel 10 van het modelreglement staat dat de vestigingsmanager op verzoek drie keer per jaar of meer aanwezig kan zijn bij de vergaderingen. De vestigingsmanager heeft ook zijn eigen overlegcircuits, bijvoorbeeld met het team of de directie. In het gezamenlijk overleg tussen OC en vestigingsmanager hebben beiden een verschillende positie maar hebben wel een gezamenlijk doel, namelijk: kwalitatief goede kinderopvang.

Een medewerker in de kinderopvang krijgt een Verklaring omtrent gedrag als er geen sprake is (geweest) van een veroordeling. Ook als er slechts verdenkingen tegen iemand zijn - dus nog geen veroordeling heeft plaatsgevonden - kan iemand een VOG krijgen.

Een medewerker in de kinderopvang vraagt een Verklaring omtrent gedrag aan voor een bepaalde werkgever. Zolang hij/zij niet van werkgever wisselt, is de VOG onbeperkt geldig.

Als u vermoedt dat er onverantwoorde kinderopvang wordt geboden waarbij de veiligheid van kinderen niet gewaarborgd is, kunt u contact opnemen met de GGD/gemeente. Zij kunnen bij een volgende inspectie rekening houden met uw klacht of een onaangekondigde inspectie inlassen.

 

Er is geen wetgeving die bepaalt dat de voordeur van het kindercentrum op slot moet. Een ondernemer moet wel veilige kinderopvang bieden en een voordeur die altijd open is kan ouders een onveilig gevoel geven. Een ondernemer moet aangeven hoe ze hier verantwoord mee omgaat.

 

Ja. In het rapport van de commissie Gunning, geschreven naar aanleiding van de zedenzaak in Amsterdam, wordt gepleit voor ‘altijd twee paar ogen op een groep’. Dit is echter een advies, men is verplicht bij wet om voldoende personeel in te zetten. Als een groep zo klein is dat slechts één pedagogisch medewerker voldoet, dan mag dit.

 

Ja, dit mag zolang er voldaan wordt aan de vereiste leidster-kindratio. Bovendien geldt er in zo’n geval wel een achterwachtregeling. Dit houdt in dat er een achterwacht beschikbaar dient te zijn die in geval van calamiteiten op het opvangadres aanwezig kan zijn binnen ambulance-aanrijtijden. Inzichtelijk moet zijn wie deze persoon is en waar deze te bereiken is. Tevens dient deze achterwacht tijdens opvangtijden altijd telefonisch bereikbaar te zijn.

Ja, dit klopt. De regeling die dit mogelijk maakt wordt de drie-uursregeling genoemd. Deze regeling ziet er zo uit:
‘Voor de flexibiliteit in de organisatie is het mogelijk dat in de dagopvang ten hoogste drie uur per dag (niet aaneengesloten) minder beroepskrachten worden ingezet dan volgens de leidster-kind ratio is vereist, maar nooit minder dan de helft van het benodigde aantal pedagogisch medewerkers. Is er in zo’n situatie slechts één pedagogisch medewerker in het kindercentrum, dan is er ter ondersteuning ten minste één andere volwassene als achterwacht in het kindercentrum aanwezig. Afwijken van de vereiste leidster-kind ratio is niet toegestaan tussen 9.30 en 12.30 uur en tussen 15.00 en 16.30 uur. Vóór 9.30 uur en na 16.30 uur mag de afwijking van de leidster-kind ratio niet langer duren dan anderhalf uur aaneengesloten en in de pauzeperiode tussen 12.30 en 15.00 uur niet langer dan twee uur aaneengesloten. Dit alles met een maximum van drie uur per dag.’

Dit verschilt per opvangsoort. Voor de dagopvang geldt dat er één pedagogisch medewerker moet zijn voor 4 nuljarigen, 5 éénjarigen, 6 tweejarigen of 8 driejarigen. Wanneer er sprake is van een gemengde groep wordt het gemiddelde hierover berekend waarbij er aan het einde van de berekening naar boven kan worden afgerond.
Voor de bso geldt dat er voor iedere 10 kinderen één pedagogisch medewerker moet zijn.

In de dagopvang geldt het volgende: de groep bestaat uit maximaal twaalf kinderen bij 0-1 jaar en maximaal zestien kinderen bij 0-4 jaar (waarvan maximaal acht kinderen tot 1 jaar).
 
In de buitenschoolse opvang bestaat een groep uit ten hoogste twintig kinderen in de leeftijd van vier jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt. Een groep kinderen in de leeftijd van acht jaar tot de leeftijd waarop het basisonderwijs voor die kinderen eindigt kan bestaan uit ten hoogste dertig kinderen. Op een groep met ten hoogste dertig kinderen, staan ten minste twee beroepskrachten, waarbij de beroepskrachten bij hun werkzaamheden worden ondersteund door een andere volwassene. Bij activiteiten in groepen groter dan dertig kinderen, besteedt de houder in het pedagogisch beleidsplan aantoonbaar extra aandacht aan de omgang met de vaste groep.
 
In de gastouderopvang kunnen maximaal 6 kinderen van 0 tot 13 jaar opgevangen worden. Daarbij worden eigen kinderen tot 10 jaar meegeteld. De gastouder mag echter niet meer dan 5 kinderen tegelijk opvangen, als deze kinderen allemaal jonger dan 4 jaar zijn en dit is inclusief de eigen kinderen tot 4 jaar. Tot slot mogen er maximaal 4 kinderen van 0 en 1 jaar tegelijk aanwezig zijn, waarvan maximaal 2 kinderen van 0 jaar. Dit is ook weer inclusief eigen kinderen van deze leeftijd.

Open deuren beleid is een pedagogische methode waarbij kinderen de gelegenheid krijgen om buiten de eigen groepsruimte met kinderen van andere groepen te spelen. Zeker naarmate de kinderen ouder worden is het belangrijk dat kinderen hun blikveld kunnen verruimen en één ruimte geeft hen te weinig uitdaging en exploratieruimte. Daarom geven de pedagogisch medewerkers de kinderen regelmatig de gelegenheid om hun omgeving buiten hun eigen groepsruimte te verkennen. Dit kan buitenspelen zijn, maar ook in de speelhal of in de groepsruimte van de andere kinderen. Zodra er ook een ontmoeting met andere kinderen plaatsvindt is er sprake van een open deuren beleid.
Voor baby’s is een open deuren beleid niet geschikt. Kinderen moeten zichzelf lopend kunnen verplaatsen. Verder is het belangrijk dat kinderen zelf invloed hebben op deelname aan het open deuren beleid. Sommige kinderen zijn te verlegen of nog maar net nieuw en voor andere kinderen biedt het open deuren beleid wellicht te weinig structuur. De pedagogisch medewerkers zijn er daarom om alles in goede banen te leiden.

Op grond van artikel 1.50 van de Wet kinderopvang moeten personen die werkzaam zijn in de kinderopvang (dus ook gastouderopvang!) in het bezit zijn van een verklaring omtrent het gedrag. Deze verplichting geldt ook voor uitzendkrachten en stagiaires met een leer/arbeidsovereenkomst. Voor stagiaires zonder stagecontract en voor vrijwilligers geldt deze verplichting niet.

In de toelichting op artikel 10 van de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang staat verder dat een houder of bestuurder van een kindercentrum vanwege diens verantwoordelijkheid in alle gevallen dient te beschikken over een verklaring omtrent het gedrag. Dit betekent dus ook dat de eigenaar of alle bestuursleden van een organisatie een verklaring omtrent gedrag moeten overleggen.
 
In principe is het voldoende als de verklaring één keer is afgegeven, dus voor onbepaalde tijd. Wel dient de verklaring op het moment van in dienst treden niet ouder te zijn dan twee maanden. Alleen als de houder van een kindercentrum een vermoeden heeft dat een werknemer niet langer voldoet aan de eisen die gelden voor het afgeven van een verklaring omtrent gedrag, kan de houder (werkgever) verlangen dat er een nieuwe verklaring wordt afgegeven.

 

 

Een achterwacht is iemand die in geval van nood ingeschakeld kan worden. Het is zo dat er een achterwacht geregeld moet zijn wanneer een leidster alleen op de groep staat zodat ze er niet helemaal alleen voor staat in geval van calamiteiten. Er zijn echter twee verschillende 'achterwachten'.

Tijdens de drie-urenregeling moet er een andere volwassene aanwezig zijn in het pand wanneer een leidster alleen op de groep staat. De leidster vangt tijdens de drie-urenregeling eigenlijk te veel kinderen op. Wanneer een leidster de hele dag alleen op de vestiging kan staan (bijvoorbeeld 1 leidster op 4 baby's) moet er een achterwacht 'geregeld zijn'. Deze hoeft dus niet persé in het pand te zijn. In het laatste geval wordt doorgaans de aanrijtijd van een ambulance aangehouden. Dit geldt ook voor de gastouderopvang.

Voor vestigingen met twee of meer groepen geldt de achterwachtregeling normaal gesproken niet. Iedere groep opent dan met minimaal één leidster waardoor er bij opening al meerdere leidsters aanwezig zijn. De achterwachtregeling geldt meestal dus pas voor grotere vestigingen als er weinig kinderen zijn en groepen worden samengevoegd bijvoorbeeld in vakanties en één pedagogisch medewerker met een aantal kinderen kan draaien.

In de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang staat in artikel 7.1 dat dagopvang moet beschikken over een aangrenzende, voor kinderen veilige en toegankelijke, alsmede op de leeftijd van de kinderen passend ingerichte buitenspeelruimte, waarvan de oppervlakte minimaal 3m2 bruto-oppervlakte speelruimte per aanwezig kind bedraagt.
In artikel 7.2 is ditzelfde geregeld voor de buitenschoolse opvang geregeld maar een buitenspeelruimte is daar bij voorkeur aangrenzend aan het kindercentrum.
De oudercommissie kan in een brief aan de vestigingsmanager of directie, met eventueel een kopie naar de GGD inspecteur kinderopvang, aandringen op een veilige buitenspeelruimte waarbij ook een termijn wordt gesteld waarbinnen de buitenspeelruimte gerealiseerd moet zijn. De oudercommissie heeft adviesrecht op het pedagogisch beleid. De oudercommissie kan een ongevraagd advies uitbrengen om het item buitenspelen in het pedagogisch beleidsplan te verankeren.

De opvang gedurende de dag valt onder verantwoordelijkheid van het kinderdagverblijf. Voor hen en voor de oudercommissie is het dan ook van belang om na te gaan hoe deze uitjes vorm krijgen, bijvoorbeeld de frequentie, begeleiding door pedagogisch medewerksters, vervoer en de communicatie naar ouders. Deze speciale activiteiten dienen ook in het pedagogisch beleid te worden opgenomen, zodat ouders inzicht hebben in de visie en werkwijze van het kinderdagverblijf.
Hiernaast moeten de veiligheidsrisico's met betrekking tot de uitstapjes in de risico-inventarisatie veiligheid worden beschreven en dient in een plan van aanpak te worden aangegeven welke maatregelen binnen welke termijn genomen moeten worden om de risico's te verminderen.
Deze vraag gaat ook over het kwaliteitsbeleid van het kinderdagverblijf. Het is goed dat het kinderdagverblijf de oudercommissie hierover om advies vraagt. De oudercommissie behartigt de belangen van alle ouders die opvang afnemen van het kinderdagverblijf en het is dan ook raadzaam om de ouders bijvoorbeeld een akkoordverklaring te laten tekenen voor dit soort uitjes.

Een ondernemer ziet zich soms om exploitatie redenen genoodzaakt om op bepaalde dagen groepen samen te voegen omdat er op die dagen erg weinig kinderen aanwezig zijn. Heeft de ondernemer het voornemen om dit samenvoegen op bepaalde dagen structureel in te voeren (bijvoorbeeld elke woensdag en vrijdag) dan heeft de ondernemer de plicht om de oudercommissie om advies te vragen. In het geval dat er groepen worden samengevoegd, verandert daarmee namelijk het pedagogisch beleidsplan waar de oudercommissie adviesrecht op heeft.
In het pedagogisch beleidsplan staat onder andere beschreven wat de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de stamgroepen is. Met het samenvoegen van groepen, veranderen de stamgroepen en het is dan ook een taak van de ondernemer om de continuïteit van de opvang voor kinderen te waarborgen. De pedagogische visie van de ondernemer hierop moet worden opgenomen in het pedagogisch beleid. Daarnaast heeft een oudercommissie natuurlijk ook adviesrecht op het algemene kwaliteitsbeleid en kan er daarom ook op letten of de kind-leidster-ratio en de opleidingseisen van de leid(st)er(s) na de samenvoeging nog voldoen aan de eisen uit de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang. Doet een ondernemer dit niet, dan kan de oudercommissie altijd aan de GGD om een extra inspectie vragen.
Indien het adviestraject is doorlopen en de oudercommissie heeft - onder bepaalde voorwaarden - toegestemd met het samenvoegen van groepen, dan moeten natuurlijk de ouders tijdig (rekening houdend met de opzegtermijn) worden geïnformeerd over het besluit. De ondernemer heeft namelijk wettelijk een informatieplicht naar alle ouders over het te voeren beleid.
Bovendien hebben ouders in hun contract getekend voor opvang van hun kind(eren) in een bepaalde stamgroep die zal veranderen door het samenvoegen van groepen.
Het is erg belangrijk dat ouders weten waar en in welke groep hun kind wordt opgevangen en hoe de rust en structuur voor een kind blijft gewaarborgd. Van belang is ook dat ouders weten voor welke periode groepen worden samengevoegd en hoe ervoor wordt gezorgd dat kinderen in een week niet met meer dan drie basisleidsters te maken krijgen.

Volgens de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang worden kinderen opgevangen in zogenaamde stamgroepen. Dit zijn vaste groepen van kinderen met vaste leidsters.
Het samenvoegen van groepen komt bij kinderdagverblijven of naschoolse opvang nogal eens voor. Dit kan incidenteel gebeuren omdat er bijvoorbeeld door ziekte of vakantie minder kinderen aanwezig zijn. Vaak is de mogelijkheid van het incidenteel samenvoegen van groepen opgenomen in het individuele contract van ouders. Is dit niet het geval dan kan een ondernemer verwijzen naar de laatste zin van artikel 5 van de Algemene Voorwaarden: ‘Incidentele wijzigingen in de opvang laten de overeenkomst onverlet’. De ondernemer moet natuurlijk wel altijd aan de regels omtrent groepsgrootte, kind-leidster-ratio blijven voldoen. De GGD controleert dit in de jaarlijkse inspectie.
Verder is het bij het incidenteel samenvoegen van belang dat ouders en kinderen goed worden geïnformeerd over waar en in welke groep de kinderen worden opgevangen en waar ze weer kunnen worden opgehaald.

Nadat een startende ondernemer bij burgemeester en wethouders zijn kindercentrum of gastouderbureau heeft gemeld, vindt een onderzoek plaats door de GGD. De verklaring omtrent gedrag is één van de kwaliteitsaspecten die op dat moment worden onderzocht. Bij bestaande kindercentra controleert de GGD tijdens de jaarlijkse inspectie de verklaring omtrent gedrag.

In artikel 8.4 van de Beleidsregels kwaliteit kinderopvang staat beschreven dat de risico-inventarisatie veiligheid tevens een lijst behoort te bevatten van ongevallen waarbij een arts of tandarts betrokken is geweest. Bij dergelijke ongevallen moet de aard en plaats van het ongeval, de leeftijd van het kind en de datum waarop het ongeval zich heeft voorgedaan worden geregistreerd. Een onderdeel van de ongevallenlijst is een overzicht van de maatregelen die de houder naar aanleiding van elk ongeval heeft getroffen ter voorkoming van verdere ongevallen.
De ongevallenlijst is dus onderdeel van de risico-inventarisatie (die jaarlijks moet worden uitgevoerd). De risico-inventarisatie zou ergens ter inzage moeten liggen, of op aanvraag in te zien zijn. De GGD controleert bij elke inspectie de inhoud van de risico-inventarisatie en daarmee ziet zij dus ook de ongevallenlijst en bijbehorende oplossingen. Via deze weg en via de weg van de ouderinspraak (de oudercommissie heeft adviesrecht op het veiligheidsbeleid) is er ‘controle’ op de ongevallenlijst en bijbehorende risicoverminderende aanpassingen.

Kort gezegd: er zijn kindercentra die met verticale groepen (0-4 jaar) werken en kindercentra die met horizontale groepen (bijvoorbeeld 0 tot 1,5 jaar, 1,5 tot 2,5 jaar en 2,5 tot 4 jaar) werken. Sommige kindercentra werken met beide typen groepen. Beide vormen hebben hun eigen voor- en nadelen. Horizontale groepen bieden kinderen bijvoorbeeld meer leeftijdsgenootjes en voor baby’s meer rust op de groep. Verticale groepen bootsen de samenstelling van een groot gezin na: kinderen leren met kinderen van andere leeftijden om te gaan. Voor de pedagogisch medewerkers kan een verticale groep ook voor meer afwisseling zorgen. Een en ander is sterk afhankelijk van hoe het kindercentrum zijn keus voor een bepaalde groepssamenstelling heeft ingebed in het pedagogisch beleid. Bij horizontale groepen is er bijvoorbeeld vaak sprake van verhuizende kinderen: hoe zorgt het kindercentrum ervoor dat dit geleidelijk verloopt voor de betreffende kinderen. En bij een verticale groep: hoe wordt ingesprongen op de verschillende (leer/speel) behoeften van de kinderen met verschillende leeftijden?

Volgens de CAO kinderopvang is het niet de hoofdtaak van een pedagogisch medewerkster om schoon te maken: 'Verricht licht huishoudelijke werkzaamheden in de groep en draagt mede zorg voor het beheer, de aanschaf en de hygiëne en goede staat van de inventaris.'
Tijdens de opvang dienen de pedagogisch medewerksters geen grote schoonmaakwerkzaamheden te verrichten want daardoor wordt de kwaliteit van de opvang negatief beïnvloedt. Een oudercommissie kan op basis van haar adviesrecht op het algemeen kwaliteitsbeleid een (ongevraagd) advies uitbrengen om hierin een verandering te bewerkstelligen. De oudercommissie kan in haar advies bijvoorbeeld de aanstelling van een huishoudelijk medewerker of groepshulp bepleiten.
Een groepshulp kan ook bij activiteiten met de kinderen, en als hulp bij het aankleden, verschonen en tijdens eet- en drinkmomenten worden ingezet waardoor de pedagogisch medewerksters hun handen meer vrij krijgen voor andere (pedagogische) taken.